LANDADEL

Gegoede ingezetenen. Jonkers en geerfden op de Veluwe tijdens Ancien Regime, Revolutie en Restauratie (1650-1830) door S. W. Verstegen 220 blz., gell., Walburg Pers 1990, f 39,50 ISBN 90 6011 704 2

Lang heeft men zich het Veluwse platteland in de zeventiende en achttiende eeuw voorgesteld als een gebied dat beheerst werd door de landadel. De jonkers zouden het grootste deel van de grond in bezit hebben gehad en daardoor ook beschikt hebben over een monopoliepositie in het lokale bestuur. Een dergelijke 'overherigheid' geldt als ongunstig voor het platteland. De jonkers woonden vaak niet op hun landerijen, maar gebruikten die samen met bestuursfuncties alleen als inkomstenbron. Aan de ontwikkeling van de arme zandgronden zouden zij zich weinig gelegen laten liggen. Zo hielden zij de bevolking in een positie van horigheid, die geresulteerd zou hebben in de uit Bommel-strips bekende mentaliteit van bewoners van achtergebleven gebieden: bevindelijk, wantrouwend, immobiel en onderdanig.

Op grond van een onderzoek naar bezits- en machtsverhoudingen op de Veluwe schetst S. W. Verstegen in zijn Gegoede ingezeteeen beeld dat minder somber en vooral veel spannender is. De jonkers waren niet de enige grote landeigenaren op de Veluwe. Adellijk grondbezit concentreerde zich langs de rivieren, waar de grond vruchtbaar was en waar men in de onmiddellijke omgeving van de steden en het stadhouderlijk hof kon wonen. Vooral op de zandgronden was veel land in bezit van de boeren zelf en van andere niet-adellijke landeigenaars.

De jonkers waren bovendien niet allemaal afkerig van vernieuwingen. Toen in de tweede helft van de zeventiende w de landbouwprijzen daalden, en daarmee hun inkomsten, stimuleerden zij nieuwe ontginningen en de bouw van papier- en kopermolens in de Veluwese beken.

Het lokale bestuur was tot de Bataafse omwenteling van 1795 inderdaad geconcentreerd in adellijke handen. De zogeheten ambtsjonkers hadden sinds de zestiende eeuw hun machtspositie steeds verder versterkt. Samen met afgevaardigden uit de steden bepaalden zij de omslag van de belastingen op platteland, en vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw kregen de ambtsjonkers de verantwoordelijkheid voor de inning daarvan. In de achttiende eeuw wisten zij ook het toezicht op de kerk en de armenzorg aan zich te trekken.

Onder de niet-adellijke landeigena-ren groeide vooral in de tweede helft van de zeventiende eeuw het verzet tegen deze macht van de jonkers. Tegelijkertijd met de dalende landbouwprijzen waren de belastingen hoog in verband met de invallen van de legers van Lodewijk X. In tegenstelling tot de niet-adellijke grondbezitters konden de jonkers hun dalend inkomen compenseren door de belastingaanslagen ten eigen bate op te schroeven.

Toen dan ook in de eerste jaren van de achttiende eeuw in de Gelderse steden een politieke strijd ontbrandde tussen de zittende regentencoterieen en de van het bestuur uitgesloten burgers, zagen de ontevredenen op het platnd hun kans schoon.

Met hun eis van meer invloed op het plaatselijk bestuur verbonden zij zich met de opstandige burgers die in de steden hetzelfde nastreefden. Uiteindelijk leverde het tumult de plattelandsbewoners het recht op de belastingkohieren in te zien, en eventueel klachten in te dienen over de hoogte van hun aanslag. Werkelijke invloed verwierven zij niet, maar de ergste excessen waren hiermee wel ten einde.

Aan de machtspositie van de jonkers kwam pas een einde na de Bataafse Revolutie toen de privileges van de adel werden afgeschaft. Voortaan kozen de gewone grondbezitters de leden van de municipaliteiten en de volksrepresentanten die afgevaardigd werden naar de vergaderingen van het kwartier.

Jonkers konden in deze besturen gekozen worden, maar zij waren dikwijls niet bereid zitting te nemen. Het lokale bestuur was in deze jaren veel tijdrovender en zwaarder, en daarbij minder lucratief geworden. De adel gaf daarom de voorkeur aan bestuursfuncties op gewestelijk of nationaal niveau, die in het begin van de negentde eeuw aan betekenis wonnen.

Verstegen behandelt de economische en de politieke ontwikkelingen gescheiden, om ze pas in de conclusie weer dooreen te vlechten. Dit geeft het boek, oorspronkelijk een dissertatie, iets brokkeligs. De machtsstrijd tussen jonkers en niet adellijke grondbezitters wordt overigens helder uiteengezet. Duidelijk is dat op het beeld van een Veluwe die zuchtte onder overherigheid correcties aangebracht moeten worden. Op dit punt laat de auteur de lezer echter enigszins in de steek. Die moet het dmet de suggestie dat het verschil tussen de Veluwe en een gewest als Friesland, waar boerenvrijheid heerste, niet zo groot was als wel wordt beweerd.