Kernongeval niet te vermijden, maar gevolgen beheersbaar

PETTEN, 15 JUNI. Het verzet tegen kernenergie berust op de angst dat uranium en plutonium militair gebruikt zullen worden en op bezorgdheid over de veiligheid van reactoren en het lot van het hoog-radioactieve afval. Ook de 'menselijke factor': de vraag of beheerders van reactoren, als er iets fout gaat, hun splijtingsproces nog wel beheersen, speelt een rol. Die angst is niet ongegrond gebleken en de vraag is dus: hoe veilig of onveilig zijn in het algemeen kernreactoren?

Er zijn geen methoden beschikbaar die hierop een eenduidig antwoord kunnen geven. De omgang met kernenergie is nog zo relatief nieuw dat technici, leert de ervaring, nog steeds voor verrassingen kunnen komen te staan en de voorspelbaarheid van het gedrag van nucleaire systemen neemt vooral sterk af als daarin onbedoelde ontwikkelingen optreden.

Vooral in de beginjaren van het civiel gebruik van kernenergie (de jaren vijftig) deden zich ongelukken voor die niet alleen niet werden begrepen, maar die ook niet konden worden opgeheven. Bij het ongeluk op Three Mile Island (niet langer geleden dan 12 jaar) bestond op een zeker moment zo weinig inzicht in de situatie dat experts opriepen tot evacuatie van de omgeving zonder dat daartoe enige noodzaak was.

Een ander probleem is dat het huidige aantal vermogensreactoren te gering is om een behoorlijke faalkans-statistiek op te zetten. Er zijn op dit momentmaar 423 vermogensreactoren in bedrijf.

Al tamelijk vroeg heeft men ingezien dat de faalkans van een complete reactor daarom moet worden berekend uit de afzonderlijke faalkansen van alle onderdelen en handelingen die zijn bedrijf bepalen of benvloeden. In de vermaarde Amerikaanse Reactor Safety Study van Rasmussen (WASH-1400) die in 1975 verscheen werd de methodiek voor het eerst volledig uitgewerkt voor twee grote Amerikaanse lichtwaterreactoren.

Het rapport was de basis voor de Risico-Analyse van de Splijtstofcyclus in Nederland (RASIN) die kort daarna verscheen. De gehanteerde methoden zijn later verder verfijnd.

In essentie wordt bij een Probabilistic Safety Analysis (PSA) het verloop van een mogelijk ongeval opgesplitst in een reeks afzonderlijke gebeurteniseen waarvan de kans wel bekend is op grond van fysische inzichten, daartoe uitgevoerde experimenten of praktijkervaring. Met'gebeurtenissenbomen' worden de kansen op combinatie van bepaalde gebeurtenissen bepaald.

Uiteindelijk wordt de kans op, bijvoorbeeld, een kernsmelting uitgedrukt in een getal.

Dat getal is in de publieke discussie een eigen leven gaan leiden waaruit grote misverstanden zijn ontstaan. Vaak ontgaat het de gebruikers dat er onderscheid wordt gemaakt tusen de berekende kans op kernsmelting en de kansen op 'lozingen' naar de omgeving (die laatste kans behoort veel kleiner te zijn.) Het is weinig bekend dat allerlei externe invloeden (zoals het neerstorten van vliegtuigen) vaak niet in de kansberekening zijn opgenomen en dat de faalkans uitsluitend wordt vastgesteld voor reactoren die in vol bedrijf zijn. “Juist bij het stilleggen of opstarten van reactoren doen zich grotere risico's voor dan gewoonlijk omdat men dan buiten de dagelijkse routine werkt”, zegt ir. A.M. Versteegh van het ECN in Petten.

Het ontgaat velen dat zoiets als een berekende kernsmeltingskans van bijvoorbeeld eens per 100.000 reactorjaren (opgegeven voor de huidige leverbare reactoren) geen absolute betekenis heeft. Aan de berekeningen liggen aannames ten grondslag die vaak zeer aanvechtbaar zijn. In het bijzonder is dat het geval met de 'menselijke factor': hoe groot is de kans dat een operator een verkeerde knop indrukt?

Andere bezwaren zijn dat vaak niet valt te overzien hoe onafhankelijk van elkaar de vele technische componenten kunnen falen (vaak is 'gekoppeld falen' te verwachten, bijvoorbeeld als de stroom uitvalt) en dat nooit zekerheid bestaat over de volledigheid van de analyses.

Versteegh: “In de PSA zit een onzekerheid van minstens een factor 10. Het bepalen van een kernsmeltingskans is een nuttige oefening om de zwakke plekken binnen een reactor op te sporen en om een ruw vergelijk tussen systemen mogelijk te maken. Maar het is stompzinnig om alleen de kernsmeltingskans als maat voor de veiligheid te hanteren”. Ook de Delftse hoogleraar dr.ir. H. van Dam raadt aan het brede publiek niet langer lastig te vallen met deze moeilijk te interpreteren kernsmeltingskansen.

Versteegh: “Veiligheid is een heel complex begrip, ook de bedrijfsvoering, dus de veiligheidscultuur binnen een bedrijf, en de vele voorzieningen die zijn aangebracht om het falen op te vangen, de defence-in-depth, bepalen de veiligheid”.

Defence-in-depth berust op redundantie en diversiteit: eventualiteiten worden opgevangen door diverse systemen van zoveel mogelijk verschillend karakter. Bijvoorbeeld: als reserve voor de normale stroomvoorziening zijn er accu's en aggregaten.

De conclusie is dat 'veiligheid' zich toch voor een belangrijk deel in de praktijk moet bewijzen. Versteegh: “De grotere 'veiligheid' van de nieuwe generatie reactoren zoals de SBWR en de AP600 staat daarom ook nog niet vast”. Het probleem is, zoals gezegd, dat het aantal in bedrijf zijnde reactoren te kort schiet. De buitenstaander kan zich al helemaal slecht een eigen oordeel vormen over de veiligheid van kernenergie zolang de nucleaire industrie er in slaagt ongelukken buiten de publiciteit te houden.

Een instelling als het IAEA, dat via het (niet openbare) Incident Reporting System uit 1980 goed op de hoogte is van alle nucleaire feilen en falen, bagatelliseert ongelukken aantoonbaar. De brand bij de Spaanse reactor Vandellos-1 werd destijds (ook tegenover deze krant) als volslagen onbelangrijk afgedaan, maar verscheen vorig jaar opeens als een 'serious incident' op de zojuist bij wijze van proef in gebruik genomen Nuclear Event Scale, een soort nucleaire 'schaal van Richter'.

(Deze schaal is speciaal voor een snelle communicatie met het publiek opgezet.) Verontrustend is het dat een, zo op het oog, volledige lijst van kernongevallen die onlangs door Greenpeace werd gepubliceerd in weinig tijd met ernstige ongevallen is uit te breiden. Zo lang is dan opeens de lijst, dat men zich afvraagt of hier niet een pijnlijke discrepantie met de theoretisch zo lage kansen op kernbeschadiging zichtbaar wordt. Geraadpleegde deskundigen weten niet echt goed raad met dit gegeven. Ze wijzen erop dat het hier vaak erg oude of experimentele reactoren betreft of reactoren, zoals de diverse gasgekoelde reactoren (de A1, St.Laurent, Vandellos) die tegenwoordig niet meer worden gebouwd en dat slechts in drie gevallen een meer of minder grote 'lozing' naar de omgeving optrad: bij Sellafield, Harrisburg en Tsjernobyl. De laatste twee zijn betrekkelijk 'jonge' reactoren.

Dat neemt niet weg dat er nog steeds erg veel oude reactoren staan. Engeland bijvoorbeeld bezit een veertigtal gasgekoelde reactoren (van het type Magnox en AGR) waarvan de helft al meer dan 25 jaar stroom levert. (Frankrijk en Duitsland hebben niet een reactor die zo oud is.) De Magnox en de AGR modereren met grafiet waarvan de brandbaarheid door 'Tsjernobyl'

voldoende is aangetoond. Er is meer dat een goed zicht op de bereikte mate van veiligheid verhindert. Wat te doen met zoiets ongrijpbaars als de veiligheidscultuur? Keer op keer blijkt, bijvoorbeeld uit de (niet-verplichte) OSART-inspecties van het IAEA, dat van lieverlee steeds nonchalanter met veiligheidsvoorschriften wordt omgesprongen. De jaarverslagen van de Amerikaanse Nuclear Regulatory Commission bevatten lange lijsten van boetes die in verband met overtreding van de voorschriften zijn uitgedeeld. Het toezicht op de bedrijfsvoering van kernreactoren is overal een zuiver nationale zaak. Euratom en IAEA controleren in hun safeguard-inspecties uitsluitend de splijtstofboekhouding. Begrijpelijk maar toch enigszins zorgwekkend nu duidelijk is dat een ongeluk als dat in Tsjernobyl de publieke opinie in de rest van de wereld voor jaren benvloedt.

De buitenstaander zou dus niet anders dan tot de slotsom kunnen komen dat ongelukken ook in de toekomst met vaste regelmaat zullen blijven voorkomen. In de tweede generatie reactoren, die over vijf jaar beschikbaar komt, kunnen veel ontwerpfouten worden vermeden omdat veel principes gehandhaafd blijven, maar het zou naef zijn te verwachten dat ongelukken zich helemaal niet meer kunnen voordoen.

Dat is minder dramatisch dan het lijkt. Ook bij het gebruik van kolen, olie en gas voor elektriciteitsopwekking vallen (veel) slachtoffers en juist met de beheersing (het opvangen) van ongelukken in kernreactoren zijn uitstekende vorderingen gemaakt.

Het is de vraag of het publiek tot het accepteren van 'incidents and accidents' kan worden gebracht zoals het bij voorbeeld vliegtuigongelukken accepteert. Zeker is dat kernenergie gebaat zou zijn bij veel meer openheid en voorlichting dan tot voor kort werd geboden. Een land als Frankrijk, dat als eerste de nucleaire 'schaal van Richter'

toepaste, meldt alle nucleaire storingen op de Minitel zonder dat dit tot grote onrust leidt. In de VS vervult de informatiedienst 'Infowire' dezelfde taak. Ook elders gaat het de goede kant op: begin dit jaar richtte de European Nuclear Society het informatie-netwerk NucNet op dat het Europese publiek alweer enige maanden vanuit Bern nieuws en nieuwtjes toeroept. Onbekend is of er ook geluisterd wordt.