JUNI '66 - HANS MOL & GER BROUWER

Gisteren was het het precies vijf en twintig jaar geleden dat de jaren zestig in Nederland tot een hoogtepunt kwamen. Op 14 juni 1966 ontstond er een klein oproer in Amsterdam dat uiteindelijk leidde tot het aftreden van de hoofdcommissaris en de val van burgemeester Van Hall. Maar ook buiten de hoofdstad broeide het in die jaren. In Maastricht werden warnings geplakt en de jeugd verzamelde zich rond het beeldje van de Maastrichter Geis, 'dancing, dancing' roepend. In de zevende aflevering van deze serie twee voormalige provo's uit de provincie: Hans Mol en Ger Brouwer

MAASTRICHT, 15 JUNI. “Provo kenden we alleen uit de krant. De ideeen van de Amsterdamse provo-beweging spraken ons wel aan, vooral de artistieke opvattingen van Robert-Jasper Grootveld, maar toch voelden we niet de behoefte om spoorslags naar Amsterdam af te reizen.”

Maastricht zou provo pas van nabij leren kennen nadat Roel van Duijn er begin 1966 een lezing had gehouden. Na afloop werd in een cafe het idee geboren om in Maastricht een artistiek-provocatief blaadje uit te geven. Initiatiefnemers waren Hans Mol en Ger Brouwer, studenten aan de kunstacademie in Maastricht. Het blad werd Ontbijt-op-bed gedoopt en het groepje kunstenaars er omheen heette al snel de Ontbijt-op-bedgroep. De naam was afkomstig van Brouwer - “ik was het ideeTREMA NA AFBREKING ONDERDRUKT enorgel van provo Maastricht” - die ooit voor een tentoonstelling een soort huistelefoon uit zeepkistjes had gefabriceerd, “voor communicatie tijdens het ontbijt-op-bed”. Brouwer: “We vonden het wel een leuke naam, speels en burgerlijk tegelijk”.

“Een Limburgse krant plaatste eens een foto van Grootveld die in zijn hand een touw had, met kurken en schelpen er aan. Wat zet de krant onder de foto? 'Duidelijk is te zien hoe Grootveld een fietsketting vasthoudt.' Voor ons was Grootveld een fenomeen, een man zonder intellectualisme, zonder wetmatigheden. Hij kwam uit een anarchistisch-socialistisch milieu en mocht bijvoorbeeld niet bidden. Maar dat deed hij toch, stiekem op de wc. Voor mij persoonlijk was hij een man van bijbelse proporties.”

De ontbijt-op-bedgroep leed volgens Mol aan een minderwaardigheidscomplexje ten opzichte van de provo's in Amsterdam. Een gevoel van onbereikbaarheid. In de Ontbijt-op-bedgroep stond het speelse, het artistieke centraal. Het blad was in de eerste plaats een kunstenaarsblad, met schuin afgesneden pagina's, andersoortige typografie, gaatjes in bladzijden. Elke maand stond een thema centraal, meestal een taboe dat op z'n kop moest: de sterke man, het doodstaboe, de Navo. “De sfeer in Maastricht was zo anders dan in Amsterdam. Maastricht was geen politieke stad, er was maar een partij en een krant. Ik geloof niet dat er ooit een van ons is gearresteerd. Het ging ons niet om rellen.”

Het stadsbestuur van Maastricht dacht daar anders over. De eerste keer dat de voormalige Dominicanerkerk werd uitgeleend aan de Ontbijt-op-bed groep voor een 'teach-in' over vrije tijd op straat was tegelijk de laatste. De teach-in had, aldus het stadsbestuur, tot ernstige ordeverstoringen aanleiding “kunnen geven”. Hans Mol: “Ja, de geluidsinstallatie werkte slecht, dus er werd wel geschreewd. En aan de muren van de kerk hadden we vellen papier opgehangen waarop iedereen kon schrijven wat hij wilde. Er was een vel met allemaal vieze woorden. Dat zal het gemeentebestuur wel 'uit de hand gelopen'

hebben gevonden.” “De Maastrichtse jongeren troffen elkaar regelmatig bij de Maastrichter Geis; dat was zoiets als Het Lieverdje in Amsterdam. De Geis was een beeldje dat de burgerij had geschonken aan de burgemeester als dank voor zijn grote verdiensten voor de stad.” Het was een gemeleerd gezelschap, daar bij de Maastrichter Geis: straatvechters, randgroepjongeren en provo's. “Omdat wij genteresseerd waren in het straatgebeuren ben ik er ook een paar keer geweest”, vertelt Mol. “We schreeuwden er 'dancing, dancing' toen de burgemeester dansen had verboden, behalve in daartoe goedgekeurde gelegenheden. Die man had wel meer vreemde dingen. In een politieverordening liet hij opnemen dat het liggen op bankjes in het park verboden was en dat het in bezit hebben van voorbehoedsmiddelen op de openbare weg strafbaar was. Maar rellen waren er niet. Het waren meer imaginaire krachtmetingen tussen opstandige jeugd en politie. We wilden de autoriteiten te kijk zetten, niet echt aanvallen.”

Een van de hoogtepunten voor de Maastrichtse provo's was het internationale provo-beraad in 1966 in kasteel Borgharen bij Maastricht. Naar goed Limburgs gebruik werd het beraad omgedoopt in provo-concilie. Mol: “Om het geheel zo beeldend mogelijk te maken hadden we op de binnenplaats een schuimbad aangelegd waarin iedereen zijn voeten moest wassen.”

Het congres viel de Maastrichtse provo's tegen. “Grote gesprekken zijn er niet gevoerd, het was los zand, alles en iedereen liep langs elkaar heen. De provo-beweging had altijd de mond vol over vrouwenemancipatie, de auto, creativiteit, behalve daar op dat concilie. 's Avonds ging het provovolk hossen en op de tafels dansen. De besluiten die er genomen werden waren vooral ludiek: we stuurden prinsesIrene in Spanje een telegram om te vragen of ze zich wilde inzetten voor zes ter dood veroordeelde provocateurs en we besloten dat het huwelijk moest worden beschouwd als de grootste practical joke van die tijd. Nee, uit maatschappij-kritisch oogpunt stelde het concilie niets voor, maar schilderachtig was het wel.”

Op het concilie werd wel de aanzet gegeven tot 'een warm onthaal' van de nieuwe opperbevelhebber van de NAVO in Centraal-Europa, generaal Von Kielansegg, die begin 1967 in Limburg zou worden gestationeerd. Vrij Nederland had geschreven dat Von Kielmansegg in de oorlog nauw betrokken zou zijn geweest bij nazi-misdaden in Polen. Besloten werd een warning uit te geven, een handgeschreven pamflet waarin werd geageerd tegen de benoeming van een oorlogsmisdadiger tot topman bij de NAVO, en dat overal in de stad werd aangeplakt.

Hans Mol zou de warning tijdens een persconferentie aan Von Kielmansegg proberen te overhandigen. “Ik kon nog net de laatste vraag stellen. Of hij die pamfletten had gezien? De generaal zei nee en toen heb ik hem er een overhandigd. Het was heel vreemd, er gebeurde helemaal niets. Pas toen ik weer op mijn plaats zat kwamen er vijf of zes officieren naar me toe. Ze wilden ook zo'n pamflet.”

Het einde van provo Maastricht werd ingeluid door het laatste nummer van Ontbijt-op-Bed, in het voorjaar van 1967. Een officiele begrafenis, zoals provo Amsterdam die organiseerde in het Vondelpark, was er niet. “Het was wel goed, die begrafenis”, zegt Ger Brouwer, “anders was provo misschien een instituut geworden. Toch zijn we er vanuit Maastricht bewust niet heen gegaan, voor ons was provo nog niet dood. Het is hier nog jaren doorgegaan. We waren flink stoned, we bleven aan het woord, we werden serieus genomen en we hoorden onszelf totaal nieuwe dingen zeggen. Maar heimwee naar die tijd, nee.

Het was een grote zandbak en ieder kind kan uren in een zandbak spelen.''