JEAN-JACQUES ROUSSEAU

The Noble Savage Jean-Jacques Rousseau 1754-1762 door Maurice Cranston 399 blz., Allen Lanel The Penguin Press 1991, f 94,50 ISBN O 713 990511

Hoe verfijnd ook, hoofse manieren dienden een zekere achteloosheid te vertonen. In Het boek van de hoveling van Baldassar Castiglione wordt aanbevolen een 'schijnbaar natuurlijke losheid' te betrachten. Nooit mocht zichtbaar zijn hoeveel zelfbeheersing wel niet was vereist om plotselinge opwellingen te beteugelen en welke inspanningen dergelijke omgangsvormen eisten. Beschaafd gedrag moest beheerst zijn, maar die beheersing diende 'natuurlijk' te lijken, alsof het allemaal vanzelf ging en voor zich sprak. 'Wie de ware kunst beheerst.” schreef Castiglione, ”wekt de indruk dat het geen kunst is.”

Die gedragscode verschafte de geboorte-adel een belangrijk voordeel. Zij leerden de gedragsregels immers van jongs af aan en waren in staat beschaving te paren aan een air van ongedwongenheid. Nieuwkomers waren wat dat betreft in het nadeel. Zij verraadden zichzelf door het spel te serieus te spelen, door krampachtigheid, of juist door zich op ongepaste momenten te laten gaan. Ongewild demonstreerden ze daarmee dat de goede omgangsvormen voor hen geenszins 'natuurlijk' waren.

Dat zelfs het meest beschaafde sociale verkeer op 'natuurlijke' wijze diende te verlopen vormde voor Jean-Jacques Rousseau een onoverkomelijk probleem. Dat valt ook weer op te maken uit het zojuist verschenen tweede deel van de grote biografie over hem door Maurice Cranston. Als vreemdeling in Frankrijk en als parvenu in adellijke kring ontwaarde Rousseau geregeld bedenkelijke blikken en hoffelijke minachting. Hoezeer hij ook gefascineerd was door de Parijse salons en hoeveel moeite hij zich ook troostte in de smaak te vallen bij het adellijke publiek, het lukte hem niet zich in die wereld op zijn plaats te voelen. Hij wist door te dringen tot de hoogste kringen, maar bleef een buitenstaander die was aangewezen op de gunsten van vreemden.

Iedere keer weer werd Rousseau's optreden bedreigd door onverwachte en pijnlijke aux pas. Zelfs als hij in de smaak viel, werd hij geplaagd door gevoelens van argwaan. Zijn tegenslagen en mislukkingen hadden geleid tot een stille, aanhoudende angst voor sociale vernedering, maar de zo begeerde successen wantrouwde hij evenzeer. Ze kwamen hem voor als onwaarachtig vertoon, als listige pogingen hem alsnog iets te ontnemen of hem te prijzen om dingen waarvoor hij niet geprezen wilde worden. De rusteloze Rousseau kon geen vrede hebben met de wereld en de wereld niet met hem. Die ervaringen vormden de voedingsbodem voor wat eens hij zijn grote, treurige systeem' noemde.

SPANNINGEN

Het gekwelde temperament van Rousseau was nauw verweven met de sociale spanningen die zijn hele bestaan beheersten. Zijn moeder behoorde tot een welgestelde familie uit de academische elite van Geneve. Ze stierf in 1712, enkele dagen na zijn geboorte, en Jean-Jacques werd opgevoed in het grote huis dat het hare was Zijn vader, Isaac Rousseau, was een geletterd ambachtsman. Van zijn vak was hij uurwerkmaker, maar hij speelde viool, droeg een degen en kleedde zich naar de laatste mode. Toen Rousseau vijf jaar oud was, moest het gezin terugkeren naar de volksbuurt waar zijn vader was opgegroeid. Thuis en in de werkplaats leerde Jean-Jacques van zijn vader lezen. Gezamenlijk lazen ze de klassieken en de zeventiende-eeuwse Franse literatuur.

Rousseau was voorbestemd om in de voetsporen van zijn vader te treden en een ambacht te leren. Maar als zestienjarige leerling-graveur ontvluchtte hij Geneve. Misschien volgde hij ook in dat opzicht het onorthodoxe voorbeeld van zijn vader. Hij ging zijn geiuk beproeven in de Savoye. Daar kwam hij in contact met Madame de Warens, die net als hij het calvinistische Geneve was ontvlucht. Hij werd haar beschermeling en via `mamam', zoals hij haar noemde, werd hij geintroduceerd in voorname kringen. Door toedoen van Madame de Warens bezocht Rousseau een koorschool en bekwaamde hij zich als musicus. Hij verrichtte allerlei werkzaamheden voor haar, gaf muzieklesssen, en in haar buitenhuis verdiepte hij zich verder in de literatuur.

Na een mislukking als huisleraar in Lyon reisde hij in 1741 af naar Parijs. Het nieuwe systeem van muzieknotatie dat hij had uitgedacht wilde hij voorleggen aan de Academie. Het werd afgewezen maar via zijn Parijse connecties kreeg hij een aanstelling als secretaris van de Franse gezant in Venetie. Rousseau waande zich ambassadeur en mijmerde over een grootse toekomst, maar binnen het jaar was hij op staande voet ontslagen.

Terug in Parijs kwam hij in dienst bij de zeer welgestelde familie Dupin. ln de vijf jaar die hij voor hen werkte, voltooide hij een kleine opera, Les Muses galantes, schreef korte toneelstukken en raakte bevriend met Diderot, voor wie hij artikelen over muziek schreef voor de Encyclopedie, de bijbel van de Verlichting.

In 1750 verscheen zijn eerste verhandeling. Rousseau was achtendertig jaar oud en met zijn Discours sur les sciences et les arts werd hij op slag bekend. Het werd geschreven om mee te dingen naar een prijs van de Academie van Dijon. Geheel in strijd met de gangbare opvattingen verkondigde Rousseau dat de kunsten en wetenschappen geen zedelijke vooruitgang hadden gebracht maar alleen zelfzucht en afgunst. Luxe en beschaving stelde hij op een lijn met corruptie. De vooruitgang van kennis en de verfijning van manieren hadden geleid tot een ondermijning van de klassieke, republikeinse deugden. Omdat de moderne cultuur en omgangsvormen berustten op behaagzucht was de menselijke vrijheid aan banden gelegd, oprechtheid verdwenen en in plaats van hun natuur te volgen werden de mensen in beslag genomen door afgunst en naijver.

Aan het slot van zijn verhandeling verzachtte Rousseau de bittere boodschap, maar de grondslag voor zijn latere werk was gelegd. Hij beroofde de hoofse gedragscodes van hun natuurlijkheid: cultuur en beschaving vormden een inbreuk op de natuur en waren derhalve eerder onnatuurlijk. Door een beroep te doen op de 'ware' natuur meende Rousseau zich te bevrijden van de beschaving en dacht zich te vrijwaren van de vernederingen en de krenkingen die hij daarmee associeerde.

Die opstelling is vaak uitgelegd als een primitief verlangen naar eenvoud en ongekunstelde omgangsvormen en als een romantische hang naar wat dan wel 'natuurlijk' zou zijn. Maar het betekende evenzeer een scherper en minder zelfgenoegzaam besef van cultuur. Om beide redenen is Rousseau een sleutelfiguur geworden. Op het breukvlak van de moderne tijd werd zijn werk van belang zowel voor romantici en sentimentele natuuraanbidders. als ook voor een strenge denker als Immanuel Kant. Door Claude LeviStrauss is hij de grondlegger van de menswetenschappen genoemd en Friedrich Nietzsche beschouwde hem als de 'eerste moderne mens', ook al verachtte hij de man die 'de morele waardigheid' nodig had om zichzelf te kunnen zijn.

Over Rousseau bestaat een enorme literatuur. Er is nauwelijks enig aspect waarover niet een of meer publikaties zijn verschenen en de laatste jaren is daar veel bijgekomen. Toch was het immense dossier niet op orde. Daaraan heeft Maurice Cranston zich nu gezet. ln 1983 verscheen het eerste deel van zijn biografie, dat gaat over de jaren tot 1754. In dit tweede deel komt de periode aan bod tot 1762, een derde en laatste deel is aangekondigd. Cranston heeft het commentaar en de interpretaties gelaten voor wat ze zijn. Hij geeft een feitelijk verslag van Rousseau's leven, chronologisch opgezet, en zonder zich te wagen aan vergaande interpretaties.

Dit tweede deel behandelt Rousseau's meest produktieve jaren. Na de publikatie van zijn geruchtmakende eersteling besefte Rousseau dat zijn leven niet in overeenstemming was met zijn leer. Hij nam ontslag bij de familie Dupin en ging in zijn levensonderhoud voorzien door het kopieren van muziek. Zijn onafhankelijkheid was daarmee gewaarborgd. Met zijn minnares Therese Levasseur en haar moeder betrok hij een appartement van waaruit hij zijn werk voortzette. Hij ging zich eenvoudiger kleden, maar bleef deelnemen aan de verschillende salons. In 1752 beleefde een nieuwe opera. Le Devin du village een succesvolle: premiere aan het hof. De koning nodigde hem uit voor een onderhoud. een vorstelijk jaargeld lag in het verschiet, maar Rousseau bleef thuis.

Een jaar later, in 1753, publiccerde hij een felle aanklacht tegen de Franse muziek, die verstoken zou zijn van ieder gevoel voor melodie en werd gedicteerd door de gekunstelde harmonieleer van Ramcau. Kort daarop besloot Rousseau naar Geneve te reizen om zijn burgerrechter te herkrijgen en terug te keren tot het protestantisme. De inmiddels beroemde schrijver werd er met open armen ontvangen. Toch ging hij weer terug naar Parijs, waar hij verder werkte aan zijn Discours sur origine de inegalite. Dit tweede discours, een uitwerking van het eerste, verscheen in 1755 en werd opgedragen aan zijn geboortestad.

Hoewel Rousseau geen inbreuk meer duldde op zijn 'onafhankelijkheid' aanvaardde hij talloze uitnodigingen. Giften en gunsten daarentegen accepteerde hij niet. Die houding maakte hij ook kenbaar aan Madame d'Epinay, die hem het tuinhuis van haar buitenverblijf ter beschikking had gesteld. Rousseau schreef dat dit aanbod ofwel een gunst was ofwel wederdiensten eiste, en in geen van beide gevallen kon hij het aannemen. Hij begreep niet waarom ze een vriend wilde `knechten'. Nadat ze hem plechtig verzekerd had dat dit geenszins haar bedoeling was, aanvaardde Rousseau haar aanbod en verliet Parijs. ”Er is maar een manier om met Rousseau om te gaan,” schreef Mme d'Epinay later, `'en dat is te doen alsof je hem helemaal alleen laat, terwijl je je in werkelijkheid voortdurend om hem bekommert.”

Toen hij zich eenmaal in het tuinhuis had geinstalleerd, volgden de gebeurtenissen elkaar snel op. De betrekkingen met de philosophes verslechterden. Voltaire stuurde hem zijn gedicht over de aardbeving van Lissabon en suggereerde dat de natuur toch minder onschuldig was dan Rousseau misschien dacht. Rousseau antwoordde dat noch God noch de natuur huizen en steden hadden gebouwd. Zouden die er niet geweest zijn, dan waren er misschien helemaal geen slachtoffers gevallen.

In een openbare bief aan d'Alembert uit dezelfde periode bekritiseerde Rousseau het theater. Het toneel cultiveerde allcen maar valse sentimenten en illusies. Daarom was het ook zo populair: ”Gespeeld ongeluk raakt mensen meer dan werkelijk ongeluk.” Comedies waren in zijn ogen nog verderfelijker.

VERLIEFD

In de ogen van de Parijse letterkundigen was Rousseau een slecht gehumeurde kluizenaar geworden, ver weg van stad en samenleving. Maar dat was betrekkelijk. Per brief onderhield hij vele contacten; hij ontving geregeld bezoekers en nam deel aan het gezelschapsleven op het kasteel van Mme d'Epinay. Therese en haar moeder hadden aan die bijeenkomsten geen deel. Zij bleven thuis in afwachting van bewonderaars met giften die de heer des huizes weigerde, maar die zij best in ontvangst wilden nemen. In 1757 werd Rousseau bovendien hartstochtelijk verliefd op een naburige gravin. Hij kende haar al langer, maar op een dag zag ik in haar mijn Julie”. Therese, die zelf ongeletterd was, bracht haar Rousseau's brieven.

In 1759, na gebroken te hebben met Diderot en Mme d'Epinay, vestigde Rousseau zich in een huis op het landgoed van de maarschalk de Luxembourg en zijn vrouw. Weigeringen en een briefwisseling waren daaraan vooraf gegaan, maar uiteindelijk had Rousseau toegestemd. Daar werkte hij verder aan wat zijn bekendste boeken zouden worden: La Nouvelle Heloise (1761), Emile en Du contrat social ( 1762). Zijn liefdesroman werd een overweldigend succes. Het zou een van de best verkochte boeken worden uit de achttiende eeuw en Rousseau's reputatie begon die van Voltaire te overtreffen. Voltaire was dat niet ontgaan en als markies de Ximenes publiceerde hij een pamflet tegen La Nouvelle Heloise, dat een ”stompzinnig, burgerlijk, onbeschaamd, en saai boek” was. Een paar jaar later schreef Voltaire zelfs nog een tweede pamflet. Daarin onthulde hij dat de auteur die zich beriep op de deugd en de natuur zijn eigen kinderen in het weeshuis had ondergebracht .

De publikatie van Emile en Du contrat social werd een keerpunt in zijn leven. Ondanks Rousseau's goede verstandhouding met de Franse oppercensor Malherbes werd Emile door het parlement van Parijs veroordeeld vanwege inbreuk op de religieuze moraal en de goede zeden. In andere landen, inclusief Nederland en Geneve, werden ook officiele veroordelingen uitgesproken.

OPWINDING

De gebeurtenissen die daarop volgden heeft Rousseau in zijn Confessions verteld. Op een nacht werd hij uit zijn slaap gewekt door een boodschapper van Mme de Luxembourg. De prins de Conti informeerde hem dat de autoriteiten vastbesloten waren de subversieve auteur te arresteren. Rousseau kleedde zich aan en spoedde zich naar het kasteel. Voor het eerst trof hij daar de altijd even elegante en beminnelijke Mme de Luxembourg in staat van opwinding. Hij was zo verrast dat hij besloot ”zijn reputatie te offeren voor haar rust”. Hij vluchtte. Zijn bestaan als 'kluizenaar' was geeindigd, een leven als vluchteling begon.

Maurice Cranston volgt al deze gebeurtenissen op de voet. Zijn biografie is uitvoeriger dan de bestaande en hij levert vele details die niet eerder zo helder bijeen zijn gebracht. Maar omdat hij dicht bij de feiten blijft en heeft willen afzien van een eigen interpretatie blijven allerlei vragen onbeantwoord. Niet alleen komen meer theoretische kwesties er bekaaid af, zijn portret van Rousseau is hier en daar ook nogal flets uitgevallen. Cranston beschrijft en parafraseert, biedt informatie, nuanceert bepaalde oordelen, maar zijn verhaal mist een duidelijk gezichtspunt. Wat dat betreft kan men beter terecht bij Jean Starobinski's La Iransparence et l' obstacle en bij de studie van J. W. Oerlemans Rousseau en de privaiisering van het bewustzijn. Maar misschien heeft Cranston zijn kruit niet willen verschieten en staat ons in het derde deel nog wat te wachten.

Johan Heilbron is socioloog en publiceerde recentelijk zijn dissertatie Het ontstaan van de sociologie (Prometheus 1991)