Je wordt wel in de gaten gehouden

Het huisje staat, eenzamer dan vroeger en wat meer verscholen in het groen, aan de voet van de dijk. Een lief huisje, maar in verhouding tot de hoogte heb ik het altijd iets te ed gevonden, alsof het zijn wangen opblaast.

De eerste deur geeft toegang tot het klompenhok, de tweede tot een schuine aanbouw van zwartgeteerde planken, de derde tot het huisje zelf: een vierkant kamertje met een zolder erboven.

Eens was dit genoeg voor een gezin met een stuk of zeven kinderen. Nu woont er een vrouw alleen.

Anneke kwam van een boerderij in Waardenburg, wnde in de nieuwbouw in Haaften en werkte in Huize Avondlicht in Herwijnen. In december '81 hield ze plotseling op met getrouwd en gereformeerd te zijn. Vierentwintig was ze toen. Ze had een huis nodig en haar enige eis was dat je eromheen moest kunnen lopen.

Hier, aan de dijk, zat destijds een man uit Utrecht. Met een stel honden. Meteen na zijn overlijden meldde Anneke zich als gegadigde. Voor het eerst ging zij het huisje binnen: alles was donker, alles stonk, het was een grote chaos. Dit is natuurlijk de schuur nog maar, dacht ze. Maar toen deed ze de volgende deur open en toen stond ze in de tuin. De tranen springen haar in de ogen.

Om te beginnen al die rotzooi naar buiten en de brand erin. Zes lagen zeil trok ze los en toen bleek er geen vloer onder te liggen. En ondertussen had ze een aanvaring met Rooie Willem. Die had hierachter schapen lopen, hij wou het huisje als schapenhok. Achterlijk wijf dat je er bent! Wat ben jij voor een wijfEen normaal wijf gaat hier niet zitten!

Naderhand is dat toch nog helemaal bijgelegd. Die zomer was hij aan het hooien en het was bloedheet en Anneke ging vragen of hij koffie wou en hij zei: graag juffrouw. Maar dan wil ik wel, zei ze, dat je even binnen komt om te kijken hoe het geworden is. Hij keek om zich heen. Hij vroeg wat ze nou nog doen moest en Anneke zei: de dakgoot. Toen stapte Rooie Willem op zijn fiets naar het dorp. Hij kwam terug met dakgoothaken.

M)Afijn, ze kende een tuinder in Tuil, die was goed in loodgieterswerk. Hij deed het sanitair, zij vergoedde zijn uren door in de tuinderij te werken, een hele zomer trosanjers opbossen. In de polder waren mensen aan het bouwen, christelijk maar wel aardig; van hen kreeg ze op zondag de betonmolen. Voor iemand anders verfde ze een schuurtje; in ruil daarvoor kreeg ze een stapel afvalhout. De timmerman verzorgde de zolder, zij paste een tijdlang 's avonds op zijn kinderen. Van een voorman van de Durox in Ven mocht ze voor (f) 47,50 gasbetonblokken komen halen, zoveel als ze er op haar eentje in een dag kon verhapstukken. Dus leende ze een besteldaf en sleepte ze van 's morgens vroeg tot 's avonds laat met stenen. Op het eind hingen haar armen zowat op haar voeten, maar ze had betonblokken in overvloed.

Natuurlijk werd ze danig in de gaten gehouden. In die tijd was er een man, ze heeft hem nooit gezien, die elke ochtend ging vissen aan de Waal. Die zette steeds zijnauto achter de hare, want dit is nu eenmaal het enige rechte stuk in de dijk. De directrice van Avondlicht kreeg er lucht van. Zij gaf het door aan de voorzitter van het bestuur, de burgemeester, en hij riep Anneke ter verantwoording. Of ze maar niet beter weer kon gaan trouwen, wat voor 'n leven ze wel niet leidde, wat voor 'n boeken ze wel niet las.

''Kijk'', zegt ze, ''als jij op zondag de was buiten hangt of in je bikini het gras gaat lopen maaien, dan zeggen ze: nou ja, dat is er een van bten, maar van mij was het verraad.''

De ruiten van haar Eend werden ingeslagen, er waren mensen die voor haar op de grond spuugden. En misschien maakte ze het in het begin ook wel te bont. Nooit was haar haar geknipt, nu opeens stekeltjes. Nooit was ze uitgegaan, nu opeens avond aan avond naar Den Bosch, de kroegen af. En dan werk je in het bejaardenhuis, waar alle lijnen van zo'n dorp samenkomen.

Sommigen wilden niet meer door haar gewassen worden. Maar anderen sopten haar snoepjes toe, juist omdat ze aan de dijk was gaan wonen, waar ze zelf hun hele leven hadden gewoond Op den duur is het allemaal goedgekomen. Ze heeft ook wat minder met het dorp van doen gekregen, ze is nu afdelingshoofd in een psycho-geriatisch verpleegtehuis, zeg maar: voor demente bejaarden, in Groenekan. Dat is hard werken, veel praten, veel verdriet. Dan komt ze thuis en dan heeft ze bijna hoofdpijn, dan is ze bijna bekaf, en dat is dan in een ommezien weer over.

De stil, de dijk, de rivier. Het rammelen van het bed als de bus voorbij komt. Het ratelen van ankerkettingen in de nacht.

De andere mensen aan de dijk: Piet de Duif, de muskusrattenvanger, die haar meeneemt de polder in, en Thijs de Punter, die elke avond, elke avond opbelde toen ze Pfeiffer had.

Ze heeft haar eigen bomen geplant en houdt haar eigen dieren: tien geiten, drie schapen, twee ganzen, twee eenden, twintig kippen, een haan en een kat. En de geiten heten allemaal geit en de scapen allemaal schaap, want ze is een echte boerendochter en vee is vee, daar doen we niet sentimenteel over.

Ze zegt: ''Wat er ook verandert in mijn leven, dit nooit, dit staat vast, ik blijf hier altijd wonen.''

Ondertussen dreigt ook hier de dijkverzwaring. Naar het schijnt in 1993. De nieuwe dijk zou een eindje naar buiten komen te liggen, waarschijnlijk wordt de oude geslecht. Het huisje zal wel overeind blijven, maar voor die es ('('die jouw grootvader misschien nog wel geplant heeft'') valt het ergste te vrezen.

Ze zegt: ''Ik denk er maar niet te veel aan. Ik wil gewoon genieten zolang het nog kan.''

We ruilen een roman tegen verse eieren en ik loop de dijk op. Een tijdje blijf ik staan kijken naar het wonderlijke weefsel van regenwolken en zonlicht boven de rivier. Dan stap ik in de auto en ga ik naar het dorp, naar ome Gijs en tante Gert, die onderhand ook al een eind in de zeventig zijn.

''Ik ben bi Anneke geweest'', leg ik uit, ''die in het huisje van opoe woont.''

Dat huisje, weet ome Gijs, is gebouwd van stenen die ze aan de Waalkant hebben opgeraapt. Opa en opoe zijn er kort na 1914 gaan wonen; opoe is er tot ongeveer 1973 gebleven.

Ik vertel wat ik herkende: een deur, de balken aan de zoldering, de ladder, het luik. Maar ome Gijs is er zelf ook wel eens wezen kijken en hij zegt: ''Heb je dat ledikant gezien? Daar sliepen wij al in hoor!' Want dat is er altijd blijven staan, dat kan niet eens door het luik, ze moeten een gat hebben gezaagd om het daar te krijgen.

We proberen te raden wat opoe wel niet van 'dat Anneke' gedacht zou hebben.

Mijn grootmoeder was een klein, rond vrouwtje, altijd in het zwart, goed gereformeerd. Ze kwebbelde. Ze wist alles van vroeger, maar klaagde nooit. Ze hield ontzettend van lachen.

Ja, ze zit in haar rieten stoel en schatert het uit, ze slaat zich op haar knieen van plezier.