Hindoe-waarden staan voorop in vroeger door Congrespartij beheerst gebied; BJP rukt op in sprookjesachtig Udaipur

UDAIPUR, 15 JUNI. Een koe te wezen in Udaipur, dat mocht elk dier zich wensen. Loom liggen de beesten, onbewust van eigen heiligheid, maar intens tevreden, in de schaduw het hun toegeworpen kostje te herkauwen. Dit is het hart van India waar de hindoe-waarden voorop staan en de Bharatiya Janata Party (BJP, Indiase Volkspartij), die een terugkeer naar het hindoe-eigene voorstaat, zich verheugt in een groeiende schare aanhangers.

Udaipur in de deelstaat Rajasthan heeft witte huizen en smalle straatjes en ademt door de vele tempels en paleizen een sprookjesachtige sfeer. Wel een vies sprookje: afval van elk kaliber en de uitwerpselen van honden, kinderen en vooral van de misschien wel duizenden koeien vormen het wegdek of belanden op zijn best in het open riool. De stad, voor Indiase begrippen klein met haar 300.000 inwoners, heeft als alle andere een groot contingent bedelaars, voornamelijk heel kleine kinderen en zogende moeders. De muren v de huizen zijn zonder uitzondering van onder tot boven beklad met politieke leuzen. De kreten voor de BJP, in het sanskriet, versierd met lotusbloemen, overheersen, al zijn er opvallend veel teksten die de Congrespartij aanprijzen.

Twee jongens lopen hand in hand de trap op van de Jagdish-tempel die gewijd is aan Vishnu, de god van het universum. De vrienden zeggen een verschil van mening te hebben. De een is voor Lal Krishan Advani, de begeesterde leider vane BJP, de ander heeft te maken met de Congrespartij na de moord op Rajiv Gandhi. Zij zullen geen ruzie maken als de uitslag morgen of overmorgen bekend wordt. Ze mochten toch nog geen van beide stemmen.

In Udaipur ziet men ook nog sanyassins, volgelingen van deze of gene hindoestische goeroe. Drie mannen met veel baard, in bonte kleuren beschilderd en voorzien van toeters en bellen en met een fotootje van hun leider op hun borst, versperren de weg onontkoombaar. Zij spreken alleen hindi, maar het rammelde melkemmertje spreekt klare taal: dit gaat geld kosten. De bedelmonniken voeren een vooral vaag ritueel op met bezwerende spreuken en wrijven aan het eind drie stukjes hout in mijn handpalm. Dan volgt een zin waarin alleen het woord 'rupeeh'

me bekend voorkomt. In een gulle bui werp ik een briefje van tien rupeeh (minder dan een gulden) in de emmer, maar uit het commentaar blijkt duidelijk dat het niet het beoogde bankbiljet is en de wegversperring blijft van kracht. Dan slaat de gulheid om in het Hollandse 'doe ik eens goe moeten ze verdorie nog meer'-gevoel, en dan verstaan we elkaar opeens toch.

Midden op de markt van Udaipur staat een lelieblanke klokketoren waarop een meters hoog vaandel van de BJP wappert.

Een vrouw in een pimpelpaarse sari schenkt aan de voet van de toren massalathee uit een bolle, koperen kan.

Rajasthan is niet van oudsher een bolwerk van het Hindoe-fundamentalisme. De Congrespartij was jaren lang de dominante partij tot de laatste verkiezingen va1989, toen Gandhi's partij alle 25 zetels - dat zijn alle zetels die in de deelstaat te verdelen zijn - verloren zag gaan, ondanks het feit dat de Congrespartij procentueel de grootste bleef. De BJP kwam dank zij het districtenstelsel ineens van niets op 13 Rajasthaanse afgevaardigden voor de Lok Sabha, het Indiase Lagerhuis.

Rajasthan, 'het land van de koningen', is gevoeliger voor het appelleren aan de oeroude hindoe-cultuur dan andere deelstaten. Hier voelt men de tijden vanweleer toen de maharadja's en hun krijgers, de rajputs (koningszonen), heersten vanaf hun burchten en forten. In Rajasthan proeft men de volle volkscultuur en het uitbundige leven. De vrouwen lijken alleen maar kleding van de felste stoffen te willen dragen. Zuurstokroze, kanariegeel en luisgroen. De koningen zijn al lang verdwenen, hun kastelen staan er nog en de Rajasthanen leven nog altijd even onstuimig. En ook de rajputs bestaan nog. Dat wil zeggen: menig inwoner va Rajasthan wijst met trots en volkomen serieus op zijn eeuwenoude afstamming van de rajputs.

Mijnheer Singh is een 'echte rajput', zegt hij, die zijn voorouders tot voor het jaar 1000 kan traceren. De man heeft een weinig heldhaftig beroep als bewaker van het pontje naar het Lake Palace Hotel. Een oogverblindend paleis in sprookjes-van-duizend-en-een-nacht sfeer, gebouwd in 1754 door maharana Jagat Singh II (geen familie). Opzichter Singh laat duidelijk merken voorde BJP te hebben gestemd. “Ik heb vaak op de Congrespartij gestemd, maar ik vind dat het een keer anders moet in dit land”, zegt hij. Singh hoopt dat Lal Advani de nieuwe premier zal worden.

Nandlal Jain heeft een kruidenierswinkeltje. Op nauwelijks vijf vierkante meter heeft hij een assortiment dat in menige supermarkt niet zou misstaan. Nandlal lacht uitbundig heel zijn halfverrotte gebit bloot om de vraag naar wat hij heeft gestemd. Hij wil oortdurend handen schudden. Als er klanten zijn - de meesten kopen minimale hoeveelheden; een ons linzen voor een dubbeltje, een stuk zeep van acht cent en rode siri om op te kauwen: twee cent; Nandlal verpakt het in volgeschreven schriftblaadjes van schoolkinderen - wil hij niet praten. Maar in zijn eentje komt Nandlal dan toch uit voor zijn BJP-sympathie. “Mijn kaste is die van de Jains, dat zie je aan mijn naam, en we vertegenwoordigen de middenklasse”, zegt hij met een weids gebaar in zijn piepkleine zakje, “en dat moet ook zo blijven. Het kastenstelsel is een goed systeem, voor India tenminste, in andere landen niet denk ik.”

Nandlal is een echte vegetarier, maar zo ver als zijn moeder gaat hij niet. “Die at ook geen uien, want die stonken naar vlees, zei ze altijd.” Er loopt een bruinrood koekalf langs zijn winkel. Ik zeg dat wij in ons land van die beestjes ragout maken. Nandlal blijf lachen. “Ik ben niet dom. Ik weet ook wel dat het elders anders toegaat, alleen de vrouwen zijn overal even lang zwanger”, zegt hij. Maar de laatste woorden lopen toch voorzichtig op naar een vraag.

De kruidenier vindt zichzelf geen fundamentalist. Iedereen in India heeft recht op een bestaan, vindt Nandlal, maar in een adem verdedigt hij de omstreden bouw van een tempel voor de hindoe-god Ram op de plaats van de Babar-moskee in de stad Ayodhya, in de deelstaat Uttar Pradesh. Miljoenen hindoes voerden vorig jaar actie voor de tempel, wat leidde tot grote plitieke onrust en enkele honderden doden. Het is zeker dat bij een overwinning van de BJP op landelijk niveau nieuwe uitbarstingen van religieus geweld zullen volgen.

Hoewel Advani voorgeeft de belangen van alle Indiers te behartigen is het duidelijk dat hij daarmee alleen de hindoes bedoelt, 85 procent van de bevolking van 850 miljoen. Ayodhya is veel meer dan de strijd om een bouwplaats. Het gaat tot de bodem van de Indiase samenleving, en daar is het niet erg stevig. Er zijn genoeg overtuigde hindoes, misschien zelfswel een meerderheid, die de Babar moskee gewoon willen laten staan, maar zelfs een kleine minderheid is in India al gauw een massa in absolute zin.

Voor de heilige koeien is het te hopen dat de hindoes zegevieren, dan kunnen zij van het leven blijven genieten tot hun natuurlijke dood, zoals nu, en een bestaan leiden dat gelijkwaardig is aan dat van de mensen in Udaipur.