FRANKRIJK TUSSEN REVOLUTIE EN TRADITIE

My France. Politics, Culture, Myth door Eugen Weber 412 blz., Harvard University Press 1991, f 55,50 ISBN 0 674 59575 0

In Amerika houden meer dan tweeduizend historici zich beroepshalve bezig met de ge schiedenin Frankrijk. Met Amerika bedoel ik dan de Verenigde Staten. In Canada zijn er ook nog heel wat. Deze 'French historians', zoals ze wat eigenaardig heten, hebben hun eigen verenigingen, hun eigen bladen, hun eigen organisaties en uiteraard hun eigen congressen.

Dit leert ons voornamelijk twee dingen. In de eerste plaats dat in Amerika alles groter is dan elders. Dat wisten we trouwens al. In de tweede plaats dat Amerika het enige land isar de geschiedbeoefening echt internationaal is. Ik weet niet hoeveel Franse historici zich bezighouden met Amerika maar meer dan een handje vol zullen het er niet zijn. In Frankrijk werken de historici aan Frankrijk zelf en aan vrijwel niets anders. Voor wij ons al te vrolijk maken over dit Franse parochialisme moeten we wel bedenken dat het in Nederland niet veel anders is. Ik schat dat negentig procent van de Nederlandse hrici Nederlandse geschiedenis doet. In Europa is en blijft geschiedenis nu eenmaal in de eerste plaats vaderlandse geschiedenis. De Amerikaanse historische belangstelling daarentegen is universeel en de Amerikaanse historische wereld is zeer kosmopolitisch. Eugen Weber, de auteur van My France, is hiervan een goed voorbeeld.

Weber is in 1925 geboren in Roemenie. Zijn familie behoorde daar tot de Duitstalige minderheid maar ook tot de sociale bovenlaag, die doordrenkt was van de Franse cultuur. Weber ging echter niet naar school in Frankrijk maar in Engeland.

Hij diende daarna in het Britse leger en studeerde in Cambridge. Daar staat weer tegenover dat hij trouwde met een Franse vrouw.

Sinds 1960 verdeelt hij zijn leven tussen Los Angeles, waar hij doceert, en Parijs, waar hij studeert. Weber behoort tot de top van de Amerikaanse historici van Frankrijk en dat zegt wel wat, want men vindt daar prominenten als Stanley Hoffmann, Gordon Wright, Natalie Davis, Robert Darnton en Robert Paxtonn die historici is Weber zeker een van de levendigste en oorspronkelijkste. Zijn werk getuigt van vak-wetenschappelijke bekwaamheid en didactische kwaliteiten, maar hij beschikt ook over journalistieke en literaire talenten. Hij heeft een scherp oog voor boeiende anekdotes en pakkende citaten en schrijft uitstekend.

NATIONALISME Eugen Weber begon zijn wetenschappelijke loopbaan met diepgravende monografieen over het Franse nationalisme en over de bekende royalistische beweging der Action Franaise. Hij scf daarna vergelijkende studies over het fascisme en andere rechtse stromingen: Varieties of Fascism en The European Right. Later keerde hij naar de Franse geschiedenis terug, maar nu om zich te richten op de maatschappij- en mentaliteitsgeschiedenis. Zo maakte hij een origineel boek over de modernisering van het Franse platteland tussen 1870 en 1914, Peasants into Frenchmen, en over het Franse Fin de Siecle.

Daarnaast schreef hij een groot aantal artikelen, essays enboekbesprekingen, zowel voor de Times Literary Supplement als voor vaktijdschriften. Een aantal van die stukken is nu gebundeld en in een fraaie uitgave van de Harvard University Press onder de titel My France. Politics, Culture, Myth. Ze worden voorafgegaan door een alleszins onderhoudende autobiografische inleiding, waarin Weber in het kort zijn eigenaardige levensloop en zijn Werdegang als historicus uiteen zet.

Het boek bevat vijftien bijdra die tussen 1958 en 1988 zijn verschenen, een oogst van dertig jaar dus. Het is een uitstekende selectie want de in deze bundel opgenomen artikelen worden gekenmerkt door eruditie en hebben bovendien vaak een originele pointe. Zo is er het bekende en alleraardigste artikel over de vraag : 'Who sang the Marseillaise?'; een boeiende kwestie inderdaad want toen die Marseillaise door Rouget de l'Isle werd gezongen sprak tachtig procent van de Fransen helemaal geen Frans maar een of ander lokaal atois.

Beschouwingen over dit soort originele onderwerpen zijn er meer, zoals die over de oorsprong van het begrip 'l'hexagone', tegenwoordig in zwang als een ander woord voor Frankrijk maar vroeger volstrekt onbekend, en over de bekende uitdrukking 'Nos ancetres les Gaulois'. Er zijn voorts biografische schetsen over de historicus Marc Bloch, de bekende nationalistische schrijver Maurice Barres, een oude bekende van Weber, en over Pierre de Coubertin en opkomst van de moderne sport. Weber was een van de eerste serieuze historici die over dit laatste onderwerp schreven.

Daarnaast zijn er meer traditionele bijdragen over de Franse politieke geschiedenis: over links en rechts, revolutie en contrarevolutie, socialisme en nationaal-socialisme, over het antisemitisme en de holocaust en over de nationalistische herleving voor 1914, het onderwerp van Webers eerste boek.

Zoals gezegd, valt een zekere verschuiving in Webers belangstelling te conteren van de traditionele politieke geschiedenis naar de sociale geschiedenis van het platteland of, anders gezegd, van het nationale naar het regionale niveau. De interessantste bijdragen in deze bundel zijn echter die welke liggen op het snijvlak van deze twee interesses, namelijk die over de politisering van het Franse platteland.

Weber heeft hierover verschillende malen geschreven. De vraag waar het om gaat, hoe het politieke leven in de vorige eeuw eigenlijk in elkazat, die vraag doet zich niet alleen in Frankrijk voor maar ook elders. Door het finalistische karakter dat de geschiedenis en zeker de politieke geschiedenis nu eenmaal eigen is, zijn wij geneigd het verleden te bezien vanuit het ons bekende eindresultaat, de huidige nationale politiek met haar partijen, programma's, principes etcetera.

De politiek van anderhalve eeuw geleden was echter heel anders. Daarin ging het vooral om lokale belangen, persoonlijke relaties en patronagesystemen, niet om abstracte begripper om concrete belangen dus. Zo was het althans op het platteland. Er was ook een andere politieke cultuur, die van de stad, van het parlement, Parijs, de elite. Deze twee culturen bestonden lange tijd naast en tamelijk los van elkaar.

Geleidelijk aan drong de 'grote' politiek echter ook tot het platteland door en verdreef de traditionele plattelandspolitiek. De boeren werden, met andere woorden, gepolitiseerd. Sommige historici plaatsen dit proces al ten tijdn de Tweede Republiek, 1848-52 dus. Toen reeds werd immers in Frankrijk het algemeen kiesrecht ingevoerd, terwijl de revolutie van 1848 de bevolking bovendien politiek mobiliseerde.

POLITISERING Weber is het hier niet mee eens. Hij plaatst dit verschijnsel ongeveer een halve eeuw later, aan het eind van de negentiende eeuw. Nog in 1898 verklaarde de markies van Laureston, burgemeester van een klein dorpje in de Loir et Cher: 'Hieen we niet aan politiek.' Hij bedoelde: hier doen de mensen wat ik zeg. Toch was er toen op politiek gebied al heel wat veranderd.

De politisering van het platteland was een geleidelijk proces dat door twee factoren sterk werd bevorderd. In de eerste plaats ontdekten de boeren dat de politiek ('Parijs') meer voor hen kon doen dan ze gedacht hadden. De traditionele houding van de plattelanders tegenover de regering, tegenover iedere regering, was deze te beschouwen als hun natuurlijke vijand. Als er gestemd moest worden, dan kozen voor de lokale notabelen van wie zij nu eenmaal afhankelijk waren.

Geleidelijk ging die rol echter over op de deputes. De kiezers ontdekten dat die in de moderne tijd meer konden bereiken dan de notabelen. Een kamerlid dat in Parijs opkwam voor de belangen van zijn streek en van zijn kiezers, voor zaken als de aanleg van wegen en spoorlijnen, vrijstelling van dienst en dergelijke, zo'n kamerlid kon rekenen op herverkiezing. Zo bleef de client-patroon-relatie bestaan maar het type patroon veranderde: de traditionele notabele maakte plaats voor de beroepspoliticus. De staat werd machtiger en daarmee groeide ook het belang van de parlementariers en andere Parijse politici.

Een andere belangrijke factor was de politiek van nation-building die door de Derde Republiek gevoerd werd en die in het bijzonder tot uiting kwam in de dienst- en de leerplicht. De gevolgen hiervan waren groot. De dienstplicht maakte de jonge mannen meer nationaal ewust - en haalde ze tijdelijk uit hun geboortestreek. Door de leerplicht leerden de kinderen lezen en schrijven. Zo werden de voorwaarden geschapen voor de opkomst van de massapers en de massapolitiek. De agitatie van generaal Boulanger en zijn plannen voor een staatsgreep in de jaren 1880 en de Dreyfus-affaire in de jaren 1890 droegen bovendien bij tot het ontstaan van een gepassioneerd politiek klimaat met veel aandacht voe nationale politiek.

STAATSZORG Deze verschijnselen ziet men ook elders in Europa. Ook in ons land was de politieke cultuur in de negentiende eeuw anders dan die in de twintigste eeuw. Ook bij ons en in andere landen groeide met de staatszorg de rol van de beroepspolitici.

Frankrijk was echter in zoverre bijzonder dat er een opvallende discrepantie bestond tussen de ontwikkeling van de staat en van de maatschappij.

Frankrijk bleef langer dan andere landen een traditionele, gesloten boerensamenleving met een kleine stedelijk-industriele en grote ruraal-agrarische sector.

Anderzijds kende het sinds de revolutie van 1789 een zeer ideologische politieke cultuur en een sterke revolutionaire traditie. Het was ook het eerste land dat het algemeen kiesrecht invoerde. Weliswaar werden de effecten hiervan getemperd door het distriktenstelsel met zijn neiging tot particularisme, maar het legde toch de basis voor de moderne politiek op nationale schaal.

De Franse ontwikkeling week in deze opzichten af van die in Engeland en Duitsland. Engeland liep op met de modernisering van economie en maatschappij maar niet met de democratisering van de politiek. Het algemeen kiesrecht kwam er pas in 1918, zeventig jaar later dan in Frankrijk dus. Ook Duitsland moderniseerde zich sociaal-economisch veel sneller en intenser dan Frankrijk. Het behield echter een autoritair politiek systeem. Engeland en Duitsland waren omstreeks 1900 in economisch en sociaal opzicht modernere landen dan Frankrijk, maar Frankrijk had een modernere politieke cultuur.

Deze spanning tussen maatschappij en politiek verklaart veel van de eigenaardigheid van de moderne Franse geschiedenis.

Frankrijk kende een sterke links-revolutionaire traditie, maar het was tegelijkertijd ook een kweekvijver voor rechts-autoritaire stromingen. Beide hadden echter niet veel reele betekenis. De linkse revoluties leidden tot niets en de rechts-autoritaire stromingen kwamen in Frankrijk niet aan de macht. Achter alle verbale en politieke eroeringen ging een wezenlijk stabiele en conservatieve maatschappij schuil. Het land van de revolutionaire politieke ideeen bleef zo nog lange tijd een 'societe bloquee'.