Europa op een tweesprong

Europa bevindt zich momenteel op een tweesprong. Nog voor het eind van 1991 moeten de twee intergouvernementele conferenties, respectievelijk gewijd aan de economische en monetaire en aan de politieke unie, tot conclusies komen die vervolgens tot een ontwerp-verdrag dienen omgevormd te worden. Wij hebben echter de indruk dat de Europese constructie die zich bij die onderhandelingen begint af te tekenen tweeslachtig van nature is en een bedreiging inhoudt voor de uiteindelijke integratie van Europa.

De eenheid van de Europese Gemeenschap moet te allen prijze bewaard blijven. Wij moeten vermijden dat er, naastbestaande Gemeenschappen (EG, EGKS en Euratom) een politieke unie ontstaat met eigen mechanismen, waarvan meerdere van intergouvernementele aard.

Belgie pleit ervoor de Gemeenschapsverdragen door een Unieverdrag te vervangen. Dit laatste dient de vorige verdragen in zich op te nemen en de inhoud ervan in de mate van het mogelijke op de nieuwe bevoegdheidssferen van toepassing te maken. Er kunnen evenwel overgangsfasen voorzien worden, evenals een bijsturing van de rol van de Europese Commissie, bijvoorbeeld inzake gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid.

De uitbreiding van het Europa van de Twaalf met nieuwe leden is wenselijk, maar kan slechts realiteit worden indien de institutionele verworvenheden van de Gemeenschap evolueren in de richting van een echte Politieke Unie van federaliserende aard. Met het oog op die uitbreiding dringt een ruimere toepassing de gekwalificeerde meerderheid bij beslissingen van de Raad van Ministers zich steeds meer op. De nieuwe werkingssferen, bijvoorbeeld op het gebied van gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid, zouden hiervoor in aanmerking kunnen komen. Het gemeenschapskarakter van de Unie kan echter alleen bewaard blijven indien tegelijk het initiatiefrecht en de beheerstaak van de Europese Commissie behouden blijven.

Het nieuwe unieverdrag zal ook klaarduidelijk moeten aanduiden dat het einddoel de politieke integratie is. Een gemeenschappelijk beleid is immers nog niet noodzakelijk een gemeenschapsbeleid. Nochtans moet precies dat bereikt worden wil men vermijden dat de uitbreiding van Europa synoniem wordt van een verdeeld Europa.

Om te helpen aan het 'democratisch deficiet' moet het medebeslissingsrecht van het Europese Parlement uitgebreid worden tot de gemeenschapswetten en tot de gebieden waarop de Raad van Ministers en het Parlement verplicht samenwn. Daarbij moet gezorgd worden dat het Parlement het laatste woord krijgt. Wij zijn eveneens voorstander van een werkelijke investituur door het Parlement van de Voorzitter van de Commissie en, desgevallend, van de overige leden. Tenslotte zou het Parlement, dat reeds in ruime mate verantwoordelijk is voor zijn uitgaven, ook zijn verantwoordelijkheden moeten kunnen opnemen op het stuk van de budgettaire ontvangsten.

De oprichting van een soort Europese Senaat, die de nationale parlementen zou omvatteeschouw ik dan weer als een gevaarlijk idee omdat op die manier een nationalistisch tegenwicht ontstaat binnen de Europese instellingen. Pragmatische formules, zoals het betrekken van sommige nationale parlementsleden (bijvoorbeeld de leden van de commissies van buitenlandse betrekkingen) bij de werkzaamheden van het Europese Parlement zijn daarentegen beslist mogelijk.

Op het stuk van veiligheid en defensie heb ik meermaals voorgesteld het concept 'veiligheieer ruim te interpreteren: ontwapening, controle op de wapenuitvoer, vertrouwenwekkende maatregelen en de CVSE-materies in het algemeen moeten er deel van kunnen uitmaken. Een dergelijk veiligheidsbeleid zou geleidelijk aan volledig moeten worden gecommunautariseerd.

Het defensiebeleid daarentegen zou strikter worden gedefinieerd, en enkel betrekking hebben op het zuiver militaire beleid. Ik ben van oordeel dat, wil men een Europese federatie sui generis opric, een zo groot mogelijke integratie van het defensiebeleid wenselijk is. Niettemin komt het me voor dat gelet op de huidige internationale onzekerheid, het gevaarlijk zou zijn de NAVO te verzwakken of haar cohesie op het spel te zetten.

De WEU die de laatste jaren blijk heeft gegeven van grote doeltreffendheid op het stuk van de coordinatie moet behouden blijven. Het zal echter nodig zijn brugmechanismen in de richting van NAVO en EG op te bouwen. Zowel de uitbouw van Europese pijler binnen de NAVO als de aanwezigheid van de Verenigde Staten in het Europese defensiebeleid zijn essentieel voor de doeltreffendheid van een dergelijk defensiesysteem. De oprichting van een snelle interventiemacht is een geschikte formule om vorm te geven aan de coordinatie van de strijdkrachten van de WEU, binnen de gentegreerde structuren van de NAVO.

Overal ter wereld zegeviert momenteel de dubbele idee van markteconomie en pluralistische democratie. Het zou al te parado zijn indien het Europa van de Twaalf nu niet resoluut zou opteren voor de opbouw van een efficiente en demoratische Politieke Unie.

Bij talrijke debatten, en vaak in aanwezigheid van een jeugdig publiek, wordt mij gevraagd of de versterking van Europa wel zo belangrijk is. De vraag is op zichzelf gewichtig, want een versterkt Europa heeft slechts zin indien het zich ontwikkelt tot een waardengemeenschap, coherent en doeltreffend genoeg om de internationale gemeenschap metterdaad van dienst te kunnen zijn.