Etsen van Charles Meryon in Rijksprentenkabinet weerspiegelen zijn obsessies; Afbraakbuurten door de loep bezien

Tentoonstelling: Charles Meryon (1821-1868). Etsen van Parijs en overig erk. T-m 4-8 Rijksprentenkabinet, Stadhouderskade 42, Amsterdam. Geopend: di-za 10-17u, zo 13-17u. Catalogus (f) 39,90.

De Franse etser Charles Meryon (1821-1868), vooral bekend om zijn gezichten op Parijs, leefde in een periode dat Parijs een metamorfose onderging. Onder toezicht van baron Georges Eugene Haussmann - die in opdracht van Keizer Napoleon III werkte - veranderde de middeleeuwse stad in een modernetropool.

Complete buurten werden met de grond gelijk gemaakt, kronkelige straten en nauwe stegen werden opgebroken. In plaats daarvan kwamen brede, kaarsrechte boulevards en etagewoningen die wij nu zo typisch 'Parijs' vinden. Meryon protesteerde samen met andere kunstenaars en schrijvers tegen de afbraak van de oude stad en de vernietiging van het culturele erfgoed. In zijn etsen probeerde hij zoveel mogelijk vaat nog niet verloren was vast te leggen.

Een schenking van 76 prenten kortgeleden vormde de aanleiding voor de tentoonstelling die nu in het Rijksprentenkabinet te zien is. Ongeveer 50 prenten van Meryon en een kleine tiental van tijdgenoten zijn verzameld. In de catalogus bij de tentoonstelling is alleen Meryons topografische werk afgebeeld, en dat is jammer want juist in zijn andere prenten - de miniatuurrebussen, utopische 'wetsontwerpen' en reisherinneringen - laat Meryon zich ook kennen als een tamelijk speels kunstenaar die zijn streven om de wld te verbeteren met humor tempert.

Meryons topografische prenten zijn doodserieus en weerspiegelen de liefde die hij voelde voor de met afbraak bedreigde buurten en monumenten. Met een hartstochtelijke nauwgezetheid beeldde hij tot ondergang gedoemde straten en huizen af. Minuscule muurklemmen, planten, uithangborden aan het einde van een straat, fragiele torenspitsen in de verte en barsten in het plamuur van de huizen dicht bij: alles laat zich op Meryons etsen bekijken. Doordat hij bovendien vanuit een laag gezichtspunt werkt, krijgen bruggen, huizen en gebouwen een bezield en imposant aanzien. Oude pompinstallaties aan de Seine en het lijkenhuis op het Ile de la Cite (vroeger in gebruik als slachthuis) lijken daardoor eerder ongenaakbare en soms vraatzuchtige organismes dan levenloze gebouwen.

Meryons vruchtbaarste periode lag tussen 1850 en 1855. In deze jaren etste hij de meeste stadsgezichten die later gebundeld den onder de naam Eaux-Fortes sur Paris. Daarna raakte hij steeds meer verstrikt in geestelijke crises. Meryon identificeerde zich zijn leven lang met de bewoners van kansarme wijken, waar prostitutie en misdaad heersten en het zelfmoordcijfer hoog lag. Hij begeleidde veel van zijn etsen met belerende rijmpjes, waarin de gelijkheid van rijken en armen beklemtoond werd en de welgestelden harteloosheid en wreedheid werd verweten. Toen hij ouder werd nam deze identificatie met de underdog angstwekkendermen aan. In periodes van depressie leed hij aan waanideeen en weigerde al het voedsel in de overtuiging dat de mens zonder eten en drinken moest kunnen leven. Verschillende malen lieten zijn vrienden hem opnemen in Charenton. Daar sleet Meryon ook de laatste twee jaar van zijn leven. In 1868 stierf hij aan uithongering, in de veronderstelling dat hij Christus was die door de Farizeeers gevangen werd gehouden.

Meryons werk is moeilijk los te zien van zijn gekte. De natuurgetrouwheid diij nastreefde in zijn prenten droeg al lang voordat zijn ziekte zich openbaarde iets van een obsessie in zich. Zijn etsen waren een tevergeefse poging om grip te krijgen op de onder zijn ogen verdwijnende stad. In dit streven ging Meryon zo ver dat hij zelfs details afbeeldde die niet met het blote oog maar alleen met een loep te onderscheiden waren. De symbolische waarde hiervan drukt zwaar, want het betekent dat Meryon letterlijk een onzichtbare stad vastlegde. Door zichzelf deopdracht te stellen, bezegelde hij zijn eigen noodlot.