DE KADT EN DE TAND DES TIJDS

De deftigheid in het gedrang. Een keuze uit zijn verspreide geschriften. door Jacques de Kadt samengesteld door M. C. Brands, R. Havenaar en B. A. G. M. Tromp 854 blz., G. A. van Oorschot 1991, f 24,90 (paperback) ISBN 90 282 07791

Sinds zijn dood in 1988 is de publieke waardering voor Jacques de Kadt ontegenzeglijk toegenomen. Dat heeft zonder twijfel te maken met het faillissement van hmmunisme, het politieke systeem waartegen De Kadt zich lange tijd fanatiek heeft gekeerd, ook toen dat nog niet in de mode was. Na de publikatie van een voortreffelijke 'politieke biografie', door de historicus Ronald Havenaar (De tocht naar het onbekende.

Het politieke denken van Jacques de Kadt, 1990), is er nu een bundel verschenen waarin bijna vijftig essays van De Kadt zijn opgenomen. De deheid in het gedrang heet het boek, dat door M.

C. Brands, R. Havenaar en Bart Tromp werd samengesteld. Zij hebben een keuze gemaakt uit de ruim vijftienhonderd artikelen, groot en klein, die uit de pen van De Kadt zijn gevloeid.

Het merendeel van de essays is chronologisch geordend, vanaf een stuk getiteld 'De Commune van Parijs', uit 1922, totaan 'Waar is het socialisme gebleven', uit 1969. Een tweede deel van de bundel is thematisch geordend estaat uit een dozijn artikelen waarin De Kadt het werk van Menno ter Braak, Herman Gorter en Leo Trotski bespreekt.

De Deftigheid in het Gedrang heeft in de verte iets weg van Multatuli's Pak van Sjaalman, tjokvol verhandelingen en kritische notities over de meest uiteenlopende onderwerpen, dit alles bijeengehouden door de rode draden van politiek en cultuur. Niet elk stuk zal zonder blozen aanspraak kunnen maken op eeuwigheidswaarde; naast gebalanceerde, goeddoordachte essays staan snelgescen schotschriften en van ongenoegen ronkende open brieven. Het is deze combinatie van koele analyse en intellectuele gedrevenheid die deze bundel sympathiek maakt.

Wie de neiging kan weerstaan om niet direct ergens halverwege het boek te beginnen, bij het indertijd spraakmakende artikel 'Luns of de ondergang van een politiek handelsreiziger'

bijvoorbeeld, maar keurig van kaft tot kaft leest, heeft hier een unieke gelegenheid om de ontwikkeling in het denken van De Kadt waar te n. Hij begon zijn politieke carriere als een vurig aanhanger van de Sovjet-Unie, het land dat hij zag als 'de burcht van het socialisme'. Maar al snel is te bemerken dat De Kadt zich niet bij de rijen fellow travellers wilde aansluiten.

WORSTELEN

In de essays uit de jaren twintig en dertig zien we hem worstelen zowel met de theorie als de praktijk van het socialisme. Het is een gevecht dat bij De Kadt altijd cent is blijven staan, niet alleen in de artikelen die in deze bundel zijn opgenomen, maar ook als woordvoerder voor buitenlandse zaken van de PvdA in de periode 1948-1963.

De samenstellers hebben niet verzuimd plaats in te ruimen voor de provocerende elite-theorie waarmee De Kadt tijdens het interbellum het fascisme te lijf is gegaan. De kern van De Kadts bekendste boek, Het fascisme en de nieuwe vrijheid (1939), komt duidelijk naar voren uit zijn essay 'De politiek der intellectuelen', uit 1935. Het is een onvermde oproep aan de Nederlandse intellectuelen 'hun cultuur' met kracht te verdedigen. Zoals meestal bij De Kadt is het een puntig, polemisch stuk waaruit het goed citeren valt. Zoals de typische De Kadt-visie op wie wel en niet intellectueel mag worden geacht: ''En wie (..) voor alles carriere wil maken, lid van de soos wil worden en een sierlijke doch indrukwekkende auto wil bezitten, die kan Prof. Mr. Dr. zijn, gedichten hebben geschreven en essays vervaardigen naar aanleiding van de diepzinnigheden die eenanse professor over de meningen die een Duits dichter inzake de Franse beschaving had, heeft opgedist - hij blijft dan in wezen een ordinaire geldploert, en wee allen die op hem rekenen als het om het lot van de intellectuelen zou gaan. Kort en goed, wie intellectuelen zijn, dat kan men eerst bemerken zodra verzamelen geblazen wordt, rondom een zeer bepaald vaandel.''

FALIEKANT NAAST

Al lezend wordt het duidelijk dat De Kadt al voor de Tweede Wereldoorlog het naderende conflict tussen de Sovjet-Unie en het Westen voorspelde en analyde. Bovendien had hij in zijn algehele analyse van het Sovjetsysteem en zijn drijfveren in grote lijnen gelijk. Maar vaak kleunde hij er ook faliekant naast. Dit komt het duidelijkst naar voren in het al eerder genoemde artikel over Joseph Luns. De Kadt sabelt deze minister genadeloos neer door hem te vergelijken met de handelsreiziger uit het bekende toneelstuk van Arthur Miller.

Luns wordt door De Kadt neergezls een middelmatig man die denkt overal met zijn joviale praatjes hartsvrienden te kunnen maken, terwijl iedereen hem achter z'n rug uitlacht. De Kadt eindigt met de woorden: ''Eigenlijk ook nog een sympathiek man, meer zielig dan slecht. Maar toch... z'n politieke dood lijkt onafwendbaar nu zijn neergang zich reeds bezig is te voltrekken.'' Luns zou nog tien jaar minister van buitenlandse zaken blijven en daarna secretaris-generaal worden van de NAVO; nauwelijks de stille terugtocht die De Kadt had voors.

Het werk van Jacques De Kadt heeft vaak zeer felle reacties uitgelokt; hij heeft dan ook altijd meer tegenstanders dan aanhangers gehad. In sommige kringen staat De Kadt nog steeds te boek als een arrogante, eendimensionale, anti-communistische fatsoensrakker. ''In het orkest der politieke gifmengers is hem de rol van eerste vitriolist volkomen toevertrouwd,'' merkte Marcus Bakker ooit terecht over hem op. De Kadt was inderdaad een politiek spookrijder van de eerste , maar deze bundel is juist zo aardig omdat hij ook diverse andere kanten van zijn persoonlijkheid laat zien.

Dat uitgeverij van Oorschot - die zijn werk altijd heeft gepubliceerd, ook in de jaren zeventig toen de populariteit van De Kadt een nauwelijks voorstelbaar dieptepunt bereikte - nu deze bundel heeft laten verschijnen, is prijzenswaardig.

Het werk van de meeste criticasters van De Kadt heeft de tand des tijds niet kunnen doorstaan. Dantegen bruisen alle essays in De deftigheid in het gedrang van een intellectuele energie zoals men dat in ons land maar weinig aantreft.

Peter van Ham is verbonden aan het Instituut voor Politieke Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Leiden