DE ANGST VAN ITALIE VOOR DE RODE HORDEN

Togliatti e la 'doppiezza'. Il PCI tra democrazia e insurrezione (1944-49) door Pietro di Loreto 350 blz. Il Mulino 1991, f 58,80 ISBN 88 15 02928 1

Nergens is het einde van de Koude Oorlog met zoveel opluchting verwelkomd als in Italie. Daar werd de ineenstorting van het Sovjetimperium wijd en zijd gevierd als een historische gebeurtenis, als het gloedvolle begin van een nieuw tijdperk van vrede en internationale samenwerking; tevens werd het gezien als het verlossende moment waarop een aantal dwingende problemen van binnenlands-politieke aard eindelijk zou kunnen woropgelost. De crisis waarin het wereldcommunisme zich bevond, zou de Italiaanse communistische partij, de PCI, ertoe aanzetten om de laatste en beslissende stap in de richting van de Westerse democratie te zetten, waardoor zij eindelijk zou worden wat zij al jarenlang beweerde te zijn, namelijk een doodgewone sociaal-democratische partij.

Het politieke landschap zou daardoor ineens een volkomen ander aanzien krijgen. De PCI - dat was het bijzondere vanItaliaanse situatie - was namelijk van oudsher de grootste oppositiepartij in het land en tevens de spil waarom elke alternatieve regeringscombinatie moest draaien. Dat laatste had zij evenwel nooit voor elkaar gekregen wegens haar eigen communistische identiteit en het etiket van onbetrouwbaarheid dat zij daardoor opgeplakt had gekregen. Welnu, door eenvoudigweg de C uit haar naam te schrappen zou de PCI, zo geloofde men, ervoor kunnen zorgen dat zij eiijk voor vol zou worden aangezien; tevens zou er een alternatief kunnen ontstaan voor de meer dan veertig jaar durende heerschappij van de Democrazia Christiana zodat Italie niet langer meer een 'geblokkeerde democratie' zou zijn.

ANGSTPSYCHOSE

Dat de communisten in Italie er nooit in geslaagd zijn om aan de macht te komen, is op zich niet opzienbarend. Per slot van rekening is dat in geen enkel Westeuropees land gebeurd. En aangezien wij in het Westen inmiddels definitief afscheid hebbenomen van het communisme (daar ziet het in elk geval wel naar uit), heeft deze hele kwestie ook iets irrelevants gekregen. In Italie ligt dat allemaal veel gevoeliger. Daar is de kans dat de communistische partij de macht zou weten te veroveren gedurende de hele naoorlogse tijd reeel aanwezig geweest. Heel lang heeft de Italiaanse politiek in het teken gestaan van een angstpsychose als gevolg van de dreiging, al dan niet reeel, van een cnistische 'machtsovername' met of zonder geweld. Dat de PCI de enkele keer dat er een heuse volksopstand uitbrak (bijvoorbeeld in juli 1948 naar aanleiding van de moordaanslag op de communistenleider Palmiro Togliatti, of in maart 1960 tegen de neofascistische MSI en de rechtse regering-Tambroni) volstrekt geen aanstalten maakte om de strijd naar het hart van de staat te verplaatsen, vermocht de gemoederen niet tot bedaren te brengen.

In de ogen van hun politieke tegenstanders waren de communisten wolven in schaapskleren, vasloten om de democratie op de een of andere wijze om zeep te helpen en dus niet te vertrouwen. En dus lieten zij zich door niets ervan weerhouden allerlei plannen te smeden om de democratie voor 'het communistische gevaar' te behoeden. De terroristische moordaanslagen die het land in de jaren zeventig opschrikten en waarvan de daders nooit zijn gedentificeerd, de raadselachtige vrijmetselaarsloge P2 en, meer recentelijk, de onthulling van het clandesti verzetsnetwerk 'Gladio' met (alweer!) de spreekwoordelijke omissies van regeringszijde: stuk voor stuk ook alarmerende aanwijzingen dat het met de democratie in dit land almaar niet wil vlotten. Van officiele zijde werd altijd geprobeerd om de betekenis van dit soort zaken te minimaliseren, maar in werkelijkheid waren het steeds uitingen van een latente burgeroorlog, die het politieke klimaat blijvend hebben vergiftigd. De wonden die toen werden geslagen, zijn nog ad niet genezen. Dat bleek onlangs nog, toen de simpele uitspraak van president Cosiga dat de mensen van de P2 vooraanstaande patriotten zijn, voor een heuse politieke crisis zorgde.

Het zal niet verbazen dat bij het zoeken naar een verklaring voor dit angstklimaat links en rechts elkaar voortdurend de schuld toeschuiven. Ofschoon de geschiedenis van het naoorlogse Italie nog moet worden geschreven, is het nu al duidelijk dat de hele problematiek van 'het communistische gevaar' daarin een prominente plaats zal innemen. Dat de meeste aandacht daarbij zal uitgaan naar de begintijd, staat nu ook al vast. Om precies te zijn, gaat het daarbij om de jaren 1945-1947, toen de christendemocraten en de communisten nog eendrachtig aan de wederopbouw van het land werkten, en om het cruciale jaar 1948, toen de partij van premier De Gasperi bij de parlementsverkiezingen een klinkende overwinning behaalde. Die gaf de christendemocraten de kans de communisten definitief en, naar later zou bli, voorgoed in de oppositie te drukken. Over de oorzaken van die breuk wordt tegenwoordig in Italie een levendige historiografische (en politieke!) discussie gevoerd.

TRIBUNALEN 'Opschorting van de persvrijheid in elke vorm; avondklok van zonsondergang tot zonsopgang; verbod op samenscholing van meer dan drie personen tegelijk; doodstraf voor iedereen die aangetroffen wordt in bezit van verboden vuur- of oorlogswapens; bevoegdheid bij de politie omstond gewapenderhand op te treden tegen illegale wapendragers die geweld plegen; speciale tribunalen om dergelijke misdrijven bij kort geding te berechten.'Aldus luidt de inhoud van een circulaire die de commandant van het legioen der carabinieri in Rome aan de vooravond van het referendum over de monarchie op 2 juni 1946 onder zijn ondergeschikten liet verspreiden, en waarin hij drastische voorzorgsmaatregelen aankondigde tegen veronderstelde 'ondermijnende pogingen van links'.

Het document, dat het plan voor een regelrechte preventieve staatsgreep onthult, is onlangs gepubliceerd in een geruchtmakende historische studie over de beginjaren van de republiek, dat de titel draagt Togliatti e la 'doppiezza'. Il PCI tra democrazia e insurrezione (1944-49). Daarin werpt de auteur, Pietro di Loreto, een leerling van de vooraanstaande katholieke historicus Pietro Scoppola, licht op de duistere invloed op de politieke zaken die is uitgegaan van 'rechts', een omvangrijk, maar onbestemd conglomeraat met verbindingen naar de katholieke wereld, de middenklasse en het militaire apparaat. Het spookbeeld van een revolutionaire volksopstand, met de PCI in de rol van vijfde colonne in een snel om zich heen grijpende Koude Oorlog, was voor dat 'rechts' de drijfveer om de politiek voortdurend onder grote druk te houden.

De vraag is natuurlijk hoe reeel de communistische dreiging die destijds werd gevoeld, ook was. Ofschoon Di Lto deze vraag eigenlijk niet interessant vindt - voor hem is de anticommunisische angstpsychose gewoon een historisch gegeven, dat hij tot uitgangspunt neemt en waarvan hij de gevolgen analyseert - geeft hij wel indirect een antwoord daarop. Het hoofdthema van zijn studie is namelijk de officiele strategie van de PCI, de 'nationale weg' naar het socialisme die de Italiaanse communisten zeiden te bewandelen. Die weg was voor hun politieke tegenstanders allesbeve duidelijk. De auteur, die dank zij de nieuwe communistische openheid inzage gehad heeft in de ongepubliceerde notulen van de vergaderingen van het partijhoofdbestuur tussen 1945 en 1949, onthult dat die duidelijkheid ook in eigen kring er niet was.

In de top van de partij was de officiele, gematigde koers van partijsecretaris Togliatti, die een principiele keuze inhield voor de parlementaire democratie zoals die na afloop van de oorlog (en met communistische steun) tot stand gekomen was, zeer omsten. De 'harde kern' van de partij onder leiding van partizanenveteraan Pietro Secchia hield vast aan een revolutionaire koers conform de grondbeginselen van de leninistische leer. Aan zijn dagboek vertrouwde de partij-ondersecretaris toe wat hij in het openbaar slechts in bedekte termen durfde te zeggen: bij de historische svolta (ommezwaai) van Salerno in 1944 had de PCI afstand genomen van het leninisme, want 'door te beweren dat de maatschappij vanuit de burgejke staat getransformeerd kan worden', was 'het kernstuk van het leninistische concept van de staat en de verovering van de staat' losgelaten.

Togliatti, de toenmalige leider van de partij, was doodsbang voor ketter te worden uitgemaakt. Iedere verdenking van het revisionisme wierp hij ver van zich af. Tegelijk benadrukte hij dat de revolutie onder de gegeven nationale en internationale omstandigheden geen kans van slagen had.

Terecht wijst Di Loreto erop, dat demmunistenleider het revolutie-ideaal dus niet principieel en publiekelijk afwees, en dat heus niet alleen maar omdat hij de eenheid in de partij wilde bewaren of omdat hij het revolutionaire elan aan de basis zo nodig moest ontzien. Het gevolg was dat de communistische partij met twee tongen tegelijk sprak. Deze doppiezza, die het hele beleid van de PCI in de naoorlogse tijd zou blijven kenmerken, heeft ertoe geleid dat zij door de buitenwereld altijd werd gezien als een onbetrouwbare gesprekspartner.

VOLKSMASSA'S

Overigens moet daarbij worden aangetekend dat Togliatti ervan uitging dat de revolutionaire dagdromerij waaraan men zich in de partij en ook daarbuiten overgaf, vanzelf zou verdwijnen als zijn nieuwe koers vruchten zou gaan afwerpen. Wat de partijleider bedoelde met de 'Italiaanse weg' naar het socialisme, zette hij nader uiteen in een rede tot het hoofdbestuur op 23 juli 1946. Daarin zei hij onder meer: 'Wij moeten erin slagen een soort van New Deal ui werken, een herstelprogramma dat de partij in de gelegenheid kan stellen leiding te geven aan alle nationale krachten.' Die nationale krachten waren in zijn ogen vooral de twee grote volksmassa's, de communistische en de katholieke, en de consequentie daarvan was dat het succes van zijn grand design helemaal afhing van de vraag of de christendemocratische partij van de De Gasperi bereid zou zijn de samenwerking met de PCI, die in verzet tot stand was gekomen, na de bevrijding voort te zetten.

In de regering van nationale eenheid, die in december 1945 aantrad, werkten de twee partijen broederlijk samen en Togliatti stelde zich zo gematigd mogelijk op om de sfeer niet te bederven. In een toespraak op 24 september 1946 zei hij: 'Wij willen helemaal geen herstel van onze nationale economie volgens communistische of socialistische principes. Daar is het land nog lang niet aan toe...' En in een vergadering van het partijbestuur op 16 februari 1946 gaf hij waar zijn land volgens hem wel aan toe was: een republiek, desnoods 'met het kruisbeeld en met de paus als president'!

De ontwikkelingen in de internationale politiek, maar ook de problemen rond het economische herstelbeleid (Marshallhulp!) haalden echter een streep door de rekening van Togliatti. In mei 1947 werd zijn partij aan de dijk gezet. De communistenleider schikte zich met verbazend gemak in het onvermijdelijke, en liet de stortvloed van kritiek, die nu van a kanten - ook vanuit Moskou - over zijn hoofd uitgestort werd, gelaten op zich neerkomen. Onophoudelijk waarschuwde hij zijn aanhang geen harde taal uit te slaan en vooral niet af te glijden naar gewapend verzet, want dat zou de kans op een terugkeer in de regering alleen maar kleiner maken. In juli 1948, toen er een aanslag op hem werd gepleegd, drukte hij zijn naaste medewerkers op het hart vooral 'geen stommiteiten'

te begaan.

GEWAPENDE REVOLTE

Wisten de communisten het hoofd koel te houden, uit politierapporten die Di Loreto heeft ingezien, valt op te maken dat hun tegenstanders daar veel meer moeite mee hadden.

In 1948, het jaar van de parlementsverkiezingen en de moordaanslag op Togliatti, werd de regering overspoeld met berichten, die spreken van een 'gewapende revolte tegen de autoriteit van de staat' en van een 'van te voren beraamd plan voor een opstand' die op nationale schaal moest uitbreken. Dergelijke berichten slo nergens op, en waren onmiskenbaar bedoeld om de regering buiten de wet te plaatsen.

Inmiddels is bekend dat ook in Amerikaanse kringen mensen (onder anderen George Kennan, adviseur van minister Marshall) met dezelfde gedachte rondliepen.

De studie van Di Loreto laat zien hoe volstrekt misplaatst een dergelijke maatregel, op zich levensgevaarlijk, was. Maar de ware verdienste is hierin gelegen dat de auteur tegelijkertijd duidelijk weet te maken hoe de antiunisten in dit land destijds tot zulke overspannen conclusies konden komen. Voor het ontstaan van de anticommunistische angstpsychose zijn, zo zegt hij, de communisten zelf medeverantwoordelijk geweest omdat zij nooit helemaal duidelijk hebben gemaakt waar hun partij precies stond.

Op dat punt moet Togliatti het flink ontgelden, want Di Loreto vindt dat hij met zijn doppiezza het Italiaanse volk de duidelijkheid onthield waar het om vroeg en waarop hp zo'n kritiek moment ook het volste recht had. In dat opzicht klinken de woorden van Luigi Longo, de tweede man in de communistische rangorde, profetisch toen hij in 1945 sprak over het risico van 'tragische misverstanden'. Di Loreto wijst er overigens op dat het tweesporenbeleid van Togliatti onvermijdelijk was, en dat de partijleider, die de gevaren ervan wel degelijk inzag, ook geen moment heeft geaarzeld om de revolutionairen openlijk de wacht aan te zeggen toen de eerste kans toe zich voordeed: op het centrale partijcomite van 1956, dat de ontwikkelingen in de Sovjet-Unie moest analyseren.

NIEUWE KOERS

De studie, die formeel in 1949 ophoudt, biedt daarmee het kader waarbinnen de hele verdere geschiedenis van de PCI moet worden beoordeeld. De communisten mochten dan weliswaar nadrukkelijk hebben verklaard dat zij geen revolutie wilden, wat zij dan wel wilden wisten zij daarna niet duidelijk te maken. Togliatti's kameraden bleven zich communisten noemen, en, ook aden zij in de volgende decennia nog zo hun best om ervoor te zorgen dat hun communistische identiteit hoe langer hoe meer verwaterde, waar het uiteindelijk toch op aan kwam was dat zij tot het bittere einde bleven volhouden een partito diverso te zijn, anders en beter dan al de anderen. De nieuwe koers, die in 1944 was ingeslagen, was ergens halfweg blijven steken en niemand wist precies waar. Deze fundamentele onduidelijkheid heeft de PCI in de jaren zestig en zeventig geen windeieren gelegd, maar uiteindelijk toch ook niet de macht opgeleverd waar het allemaal om begonnen was.

In het licht van deze afloop krijgt de doppiezza van de eerste partijsecretaris een verreikende, historische betekenis. In de voorstelling van Di Loreto is Togliatti een tragische held, een visionair politicus, die zijn tijd ver vooruit was. Dit oordeel houdt tevens een scherpe veroordeling in van al zijn opvolgers, die in tegenstelling tot de grote leider wel de kanegen om het werk af te maken, maar die kans hebben laten liggen. Is Togliatti dus toch Il Migliore ('De Beste'), zoals hij in de herinnering van zijn volgelingen is blijven voortleven? Als dat zo is, dan heeft de huidige partijleiding, die hem een paar jaar geleden onverwachts bijzette in het pantheon van de afgedankte helden, de verkeerde leider van zijn voetstuk gehaald.