Damnacanthus

Niet lang geleden kon je op Gardeners' World Nigel Colborn zien praten over snelgroeiende coniferen en ik zat met ingehouden adem: nu komt het, nu gaat hij het zeggen, hij moet wel, hij kan er niet omheen, eindelijk zal ik het eens iemand horen uitspreken. Maar nee, toen puntje bij paaltje kwam liet ook hij het afweten: in plaats van te zeggen X Cupressocyparis leylandii pauseerde hij even en toen maakte hij zich er af met alleen maar leylandii. Wat een teleurstelling.

In feite had Colborn ook wel 'Leyland cypress' kunnen zeggen, want dit is een van die gelukkige gevallen waarin gewoon Engels (of Nederlands) overeenkomt met een lastige Latijnse benaming. Maar helaas zijn daar te weinig van, met het gevolg dat men genoodzaakt is een beetje precieze conversatie over tuinieren te larderen met termen die een buitenstaander als de ergste affectatie in de oren moeten klinken. Vraag: wat zijn dat voor mooie witte bloemen? Antwoord: Gillenia trifoliata - (verontschuldigend) er is geen Hollandse naam voor. Vr: En hoe heet die exotische schaduwplant? A: H'm ja, die heet, om precies te zijn, Houttuynia cordata, maar hij doet het daar wel prachtig, vindt U ook niet? De aangesprokene kijkt glazig, want als hij die woorden al verstaaneeft is hij ze meteen weer vergeten. Er treedt soms zelfs een ongewilde zelf-censuur op in dergelijke situaties, waarschijnlijk voortgekomen uit het besef dat het conversatie-stoppers zijn, en dat is dat je zelf niet meer op de Latijnse naam kunt komen en daar sta je dan, hulpeloos, geblokkeerd, niet alleen onder verdenking van geaffecteerdheid maar ook van achterlijkheid.

Ook Margery Fish was bekend met dit vraagstuk; ze had een bepaalde soort oleariin haar tuin: ''Wanneer mijn struikje vol komt te staan met witte bloemen wordt het vaak aangezien voor een bosje herfstasters. Ik weet niet wat je moet doen wanneer je de ene bezoeker tegen de andere hoort zeggen: 'kijk die herfstasters eens bloeien midden in juni'.'' Het is inderdaad pijnlijk en lastig om dan over je schouder te zeggen: ''Welnee, dat zijn Olearia gunniana.'' Ze schrijft dat ze vaak het gevoel heeft dat tuiniers vermoeiend kunnen zijn als ze veel lange plantennamen gebruiken: ''Soms verbaas ik me over het geduld waarmee gewone mensen het aanhoren.''

In een recente tuinserie op de Nederlandse televisie, Een droom van een tuin, een niet al te geslaagde pendant van Gardeners' World, was zeer kennelijk voor de eerlijke moerstaal gekozen wat plantennamen betreft. De camera gleed liefdevol over een paar exotische hybride lelies en jawel, daar kwam de ondertiteling: 'lelie'. Feilloos juist, maar wel een tikkeltje onpktisch. Een ander schot in de roos was 'ijzerhard' (steeds zonder hoofdletters, om de mensen niet af te schrikken), onder beelden van een Verbena bonariensis.

Nu valt niet te loochenen dat ijzerhard de Hollandse naam is voor verbena, maar de kwestie is dat er verschillende soorten van zijn, om maar te zwijgen van de vele hybriden. Naar het tuincentrum gaan en om ijzerhard vragen is iets als bij de slager vragen om vlees. De geringe belangstelling voor details op botanisch terrein werd in dat programma ruimschoots gecompenseerd or een opmerkelijke aandacht voor tuingerei zoals banken, hekken, vazen, kunstmest en wat dies meer zij, zodat je je wel eens afvroeg wie of wat er eigenlijk achter die uitzendingen zat.

De enige onbevangen gebruikers van tuinlatijn zijn kinderen. Mijn dochtertje van vier heeft het heel spontaan en bijna foutloos over de 'ceratostingma' en ik heb eens een meisje haar moeder horen vragen waar een of ander stuk speelgoed was, waarop zij te horen kreeg dat het onder de Kalopanax pics lag.

Ze holde weg of het de gewoonste zaak van de wereld was, zonder te aarzelen of te giechelen, recht er op af.

Sommige Latijnse plantennamen lijken ons om de tuin te willen leiden: wat moet een zo uitgesproken tweejarige plant als Judaspenning met een naam als Lunaria annua? En waarom is een grasklokje in het Latijn Campanula rotundifolia als er evenveel langwerpige bladeren aan zitten als ronde, zo niet meer? In het begin dacht ik zelfs dat het twee panten waren.

In andere gevallen vraag je je af waar al die moeite voor nodig is: waarom spreken van Ophiopogon planiscapus 'Nigrescens' als je ook zonder misverstand 'dat zwarte gras'

kunt zeggen; en hoe noemen de eigenaars van Psylliostachys suworowii hun planten als die ter sprake komen? Damnacanthus!

zoals Graham Stuart Thomas ergens uitroept. Er bestaat natuurlijk ook een universele neiging om vreemde woorden te verhaspelen. Ik heb eens een Franaise in een winkel horen vragen om ''die Hollandse aas, hoe heet-ie ook weer, Ledermann''. De Fransen weten er trouwens weg mee: op het journaal heet een zekere Poolse stad consequent Gdanks en op de radio hoor je vaak over de componist Litsz. Engelse kinderen zeggen vaak 'anenome' en 'wopse' (vergelijk het Nederlandse 'weps') en sommige Engelse tuiniers zeggen 'astileeb'. Een verdere bron van verbasteringen is het feit dat sommige Latijnse woorden gemakkelijk verward kunnen worden met ander; zo bestaan er, niet alleen in Engeland, twee ongeveer even populaire benamingen voor wolfsmelk: 'euphoria'

en 'euphobia'. Ballota pseudodictamnus moet wel een juridische term zijn voor verkiezingsresultaten waarmee geknoeid is ('rigged ballot'), en Hebe pinguifolia heeft uiteraard bladeren als een pinguin. Op een dergelijke manier moet de Nederlandse benaming kamperfoelie uit caprifolia (geitenblad) zijn ontstaan.

En dan heb ik het nog niet over opzettelijk misbruik opit gebied. Zo is Deutzia pipia de voor de hand liggende naam voor Duitse pijp; die benaming is bij ons thuis zo ingeburgerd dat ik de grootste moeite heb mij de werkelijke naam te herinneren. (Een taal die zich bij uitstek voor dit soort aardigheden schijnt te lenen is het Frans: Timeo Danaos et dona ferentes - Je crains les Danois et leurs dents de fer, en de mooiste: Numero Deus impare gaudet - Le numero deux se rejoit d'etre impair.) Wat er in het brein gebeurt wanneer het met ingewikkelde Latijnse plantennamen geconfronteerd wordt, is op briljante wijze in beeld gebracht door sommige tekeningen van James Thurber en vooral Edward Lear ('Manypeeplia upsidownia', 'Piggiawiggia pyramidalis'). Het vreemde is dat datzelfde brein geen moeite heeft met het herkennen van de meer ingewikkelde namen als het ze geschreven ziet; van echt lezen is dan kennelijk geen sprake, je ziet bijvoorbeeld Soleirolia soleirolii en je denkt: o ja, net zoietsals funiculi funicula, je bent tevreden met het woordbeeld zonder de concentratie op te brengen om het helemaal uit te zoeken (Pas nu ik dit opschrijf dringt het tot me door dat het woord 'soleil' er in feite niet in voorkomt). De herkenning is visueel; wat de uitspraak betreft klinkt in het hoofd alleen maar wat gegons: X Cupressodinges... Campanula Prschprsch... Ligularia przewizze...