Conflicten liggen voor het oprapen in Nicaragua

MANAGUA, 15 JUNI. Na acht jaar burgeroorlog heerst er een broze vrede in Nicaragua. Even buiten de centraal gelegen stad Matagalpa verrijzen in het gehucht Ciudadela Solingalpa nieuwe huizen van hout en cement. Voormalige contra-strijders, sommigen gekleed in camouflagepakken, zijn in de weer met troffel en hamer. Op een steenworp afstand kijken de autochtone bewoners van Solingalpa toe. De leuzen op de muren van hun huizen laten er geen misverstand over bestaan dat hun sympathie bij de sandinisten ligt.

“Wij hebben hier tot nu toe geen enkel probleem met het samenleven. Maar in andere dorpen is het slecht gesteld met de veiligheid van voormalige verzetsstrijders”, zegt Maximo Calixto Castillo, de 23-jarige leider van de ex-contras van zelfbouwproject nummer 862. Zijn groep van vijftig families heeft geen wapens meer, zegt deze veteraan, die als 'Mejicano'

sinds zijn veertiende met de contras heeft opgetrokken in de bergen van Nicaragua.

Bij gewapende incidenten tussen voormalige contras en sandinisten zijn de afgelopen maanden enkele tientallen mensen om het leven gekomen. Een groep ex-contras heeft onder de zelfgekozen naam 'recontras' de wapens weer opgenomen. De sandinist Humberto Ortega, die na de machtsoverneming inanagua door de rechtse UNO-coalitie mocht aanblijven als chef-staf van het leger, schat hun aantal op zeker duizend. Het leger en de politie zijn nog steeds in sandinistische handen, zeggen de recontras; we voelen ons bedreigd en dragen daarom weer wapens. De trage gang van zaken bij de herverdeling van de grond in Nicaragua die de regering de oud-contras heeft beloofd, vergroot de onrust alleen maar.

In de krottenwijk Jorge Dimitrov in het centrum van Magua zijn het niet de ex-contras maar de sandinistische militanten die zich bedreigd voelen. Veertig families, die daar werden gehuisvest na de overstroming van het Managuameer in 1982, staan op het punt hun krotten te verliezen. De voormalige eigenaresse van de grond - gevlucht na de revolutie in 1979 - eist haar door de sandinistische regering onteigende land terug, tenzij de doorgaans werkloze bewoners met tweeduizend dollar per huis komen. “Zij heeft ons in het verleden al uitgebuit, nu is ze t Amerika teruggekomen om het weer te doen”, zegt een strijdlustige Carmen Lopez, een 37-jarige alleenstaande moeder van drie kinderen en een militante sandiniste. “En dat terwijl ze destijds al door de sandinistische regering schadeloos was gesteld”, voegt haar buurman, de graficus Carlos Parales, eraan toe.

EXPLOSIEVE LADING

De conflicten liggen in het Nicaragua van de breekbare vrede voor het oprapen. Een jaar sinds de centrum-rechtse UNO-coalitie van president Violeta Chamoro de macht overnam van de linkse sandinisten staan de twee stromingen in de Nicaraguaanse samenleving nog lijnrecht tegenover elkaar. De enorme hoeveelheid wapens die als erfenis van acht jaar burgeroorlog is achtergebleven in het land, geeft de sluimerende en openlijke conflicten een potentieel explosieve lading.

“Voor het afvuren van wapens is geen plaats meer in Nicaragua, wel voor de strijd tegen de armoede”, zo probeert oud-contra-commandant IsraelGaleano, beter bekend onder zijn oorlogsnaam 'Comandante Franklin' de toon te zetten voor de verzoeningsdialoog. Volgens Galeano zijn er zo'n zeventigduizend tot honderdduizend wapens “op onverantwoorde wijze” in handen gekomen van burgers.

Galeano, een gezette veertiger in open hemd, met gouden ketting en dito voortand, maakt als 'duif' sinds kort deel uit van Chamorro's regeringsteam, nadat een aantal UNO-'haviken'

onder wie vice-president Virgilio Godoy, op non-ctief is gesteld. Galeano coTREMA NA AFBREKING ONDERDRUKT ordineert de hulp aan de 22.000 gedemobiliseerde contras en hun gezinsleden, in totaal ongeveer 125.000 mensen.

Maar ook zo'n zeventigduizend werkloze ex-militairen van wat het Sandinistische Volksleger (EPS) was, verdringen zich nu om hetgeen beide partijen in een bloedige oorlog hebben bevochten en elkaar nog steeds betwisten: de vruchtbare grond van Nicaragua. Landbouw is de eig denkbare bestaansmogelijkheid in een economie die een werkloosheid van veertig procent kent en die volgens een buitenlandse ontwikkelingseconoom in Managua “dit jaar nog enorme klappen krijgt te verduren”.

Vice-premier Antonio Ibarra houdt zich namens president Chamorro bezig met de problematiek van de landverdeling en de herintegratie van de contras in de Nicaraguaanse samenleving.

“Niets rechtvaardigt het opnieuw opnemen van de wapens”, zegt hij. “Daarmee wordt de vrede in gevaar gebracht die na zovel bloedvergieten en opoffering in Nicaragua tot stand is gekomen.” Maar, zo geeft hij toe, “de eisen zijn gerechtvaardigd, en wij zullen als regering onze belofte aan deze mensen ook nakomen.” Volgens Ibarra bevinden de meeste wapens zich onder de sandinisten.

DREIGEMENTEN

In tegenstelling tot de verzoenende en gematigde taal van minister Ibarra en 'Comandante Franklin' wordt er in het 'Huis van de contras' openlijk gedreigd. Het twee verdiepinen tellende gebouw in het centrum van Managua huisvest de organisatie CENPAP, een particuliere groepering die zich inzet voor het lot van de voormalige guerrillastrijders. Ruige types, veteranen van een lange strijd, hangen tussen gerimpelde moedertjes en fonkelnieuwe terreinauto's rond voor de ingang, die wordt bewaakt door een met portofoon uitgeruste functionaris van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS).

De Internationale Commissie voor Hulp en Verificatie (CIAV) van de OAS begeleidt het proces an demobilisatie en herintegratie van de contras.

Op de tweede verdieping zetelt, omgeven door de modernste Amerikaanse kantoorapparatuur, Rodolfo Ampie, voormalig lid van comite van chefs van staven van de contras, nu directeur van CENPAP. “Ons grootste probleem is de veiligheid van onze mensen. Nog steeds worden we bedreigd door de sandinistische politie, het leger en gewapende leden van sandinistische boerencooperaties. De recontras moeten zich kunnen verdedigen.” Vol(H)gens Ampie hebben de sandinisten “zeker tweehonderdvijftigduizend wapens onder hun aanhangers uitgedeeld” voor de regeringswisseling vorig jaar april.

“Een wapen is nu voor dertig dollar te koop in Nicaragua”, zegt de voormalige contra-chef, die er aan toevoegt dat hij en zijn kantoorstaf “worden gevolgd en telefonisch bedreigd”.

In de loop van het gesprek met Ampie verschuift de lijn van “zelfverdediging” naar dreiging. “We zoeken een oplossing angs vreedzame weg voor onze problemen. Maar als de regering haar beloften over de herverdeling van de grond niet nakomt, niets doet aan onze sociaal-economische situatie en de sandinisten hun plaats niet wijst, dan weten wij welke taal de sandinisten en de regering wel verstaan”.

Dreigen is wel het laatste dat de voormalige Nicaraguaanse ambassadeur bij de Verenigde Naties en tweede man van de sandinisten in Managua, Victor Hugo Tinoco, zal doen. Hij spreekt bedachtzaam en met zachte stem. “De mthodes van de recontras bevallen me niet, maar ze hebben gelijk met hun eis dat deze regering haar beloften moet nakomen.”

Tinoco ziet in het enorme wapenbezit in Nicaragua een destabiliserende factor. “Maar het is vrijwel onmogelijk om ze in te nemen.” Maar “als de regering voldoende vertrouwen weet te wekken bij de bevolking en een gezond economisch klimaat weet te scheppen worden de wapens vanzelf ingeleverd.”

ONZEKERHEID

Die situatie lijkt nog ver weg in een land dat zich onderling tracht te verzoenen na een bittere oorlog en waarin de economische realiteit met de dag somberder wordt. “De onzekerheid is het ergste”, zegt de 22-jarige onderwijzer Julio Cesar in het eenvoudige klaslokaal van een onder de sandinisten opgezet schooltje in de krottenwijk Jorge Dimitrov. Om hem heen doen vijftig leerlingen zich te goed aan de ene maaltijd per dag die zij dankzij de school krijgen.

Maar nu de leer- en voedingsmiddelen van de voormalige Oosteuropese donoren uitblijven, is het de vraag of de school nog langer zal kunnen voortbestaan. “Er zijn geen plannen om dit soort scholen te sluiten”, zegt Cesar, “maar we weten dat de regering nauwelijks geld heeft”.

In het gehucht Ciudadela Solingalpa verwoordt oud-contra 'Mejicano' de gevoelens van zijn mensen: “We hebben ons niet ontwapend om nu weer te gaan vechten. Maar de regering moet snel iets doen aan onze veiligheid en aan de landverdeling.”

Hij spreekt bitter over de recente, nog onopgeloste moord op een hoge contra-leider, die voor een hotel in Managua werd doodgeschoten. 'Mejicano' en zijn mensen hebben zelfbouwproject 862 als eerbewijs vernoemd naar hun bekendste martelaar uit het naoorlogse tijdperk in Nicaragua: 'Ingeniero Enrique Bermudez, Comandante 380'.