Alertheid wordt fnuikende sloomheid bij veel spanning

In wedstrijdpunten staan ze gelijk: PSV en Ajax, maar in doelsaldo staat PSV twee punten voor. In de allerlaatste competitieronde met PSV - Volendam en Ajax - Vitesse valt morgen de beslissing over het kampioenschap. Hoe goed zijn de spelers tegen die spanning bestand?

ROTTERDAM, 15 JUNI. Als Vanenburg morgen voor de beslissende wedstrijd tegen Volendam uitbundig zit te gapen, zouden zijn medespelers al argwaan moeten krijgen. En als hij als een blindganger over het veld raast, ballen overhaast afspeelt - alsof hij in zijn overdrive staat - zou coach Robson het zeker moeten weten: Gerald kan de druk niet aan.

Als Witschge morgen voor het vitale treffen met Vitesse almaar zit te zeuren over koude handen, als hij vervolgens in het veld niet vooruit is te branden - alsof hij op de handrem staat - dan geldt voor deze Ajacied hetzelfde: hij staat stijf van de zenuwen.

Het spannendste competitieslot sinds jaren kan voor sommige spelers net iets te spannend zijn.

Een voetballer heeft een bepaalde mate van spanning nodig om optimaal te kunnen presteren, zegt sportpsycholoog Rico Schruijers uit Oss. Die verhoogde staat van paraatheid zorgt ervoor dat het lijf wordt gemobiliseerd: bloeddruk en spierspanning stijgen, concentratie en alertheid nemen toe.

Maar als de spanning een kritische grens overschrijdt, werkt ze plotseling remmend. De fijne motoriek gaat haperen, de timing laat te wensen over. Dat blijkt bijvoorbeeld bij het schieten, zegt Schruijers, doordat zich meer spieren spannen dan gewenst is, wat de beweging ongunstig benvloedt. De pass die normaal altijd lukt, eindigt dan in de tribune. Het lopen gaat verkrampt.

Bij een overmaat aan spanning slaat de alertheid om in fnuikende sloomheid. Het vermogen om de aandacht snel te verbreden (bij een counter) of te versmallen (bij een doelpoging) neemt sterk af. “Daardoor gaat de speler onbegrijpelijke fouten maken”, zegt Schruijers. “Hij kan niet meer zo helder denken. Hij heeft zich niet meer in de hand.”

Dat overkwam Paul Gascoigne tijdens de finale om de FA-cup, toen hij zich bij een zware overtreding zelf ernstig blesseerde, nadat hij al eerder door een onbesuisde actie was opgevallen, meent Schruijers. “Hij liep als een kruitvat over het veld.” Dat overkwam, zegt de sportpsycholoog, ook de Ajacied Bryan Roy in de wedstrijd tegen PSV, toen hij Jerry de Jong na een wilde achtervolging onderuit maaide, wat hem een rode kaart opleverde. “Roy ging uit zijn dak.”

Pag. 10

'Ik krijg er geen rode vlekken van'

Dorjee, assistent-trainer van PSV, ziet het direct, zegt hij, als de spanning bij een speler te hoog dreigt op te lopen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit “afwijkend gedrag” bij de trainingen voor de wedstrijd, uit buitensporige reacties op scheidsrechterlijke beslissingen tijdens onderlinge partijtjes. Ook “observaties in de kleedkamer” en “signalen van de medische staf” helpen Dorjeebij het stellen van zijn diagnose.

Met individuele en groeps-gesprekken is de spanning meestal wel te kanaliseren, zegt Dorjee. Hij vertelt dat hij en Guus Hiddink, de voorganger van Robson, indertijd de gewoonte hadden om de spanning eerst doelbewust te verhogen. Dat deden ze door de toekomstige tegenstander “meer klasse” toe te dichten dan gerechtvaardigd was. Om zo de spelers op te peppen. Want te weinig spannis “net zo gevaarlijk” voor een team dan overmaat. “Vlak voor de wedstrijd confronteerden we de spelers dan met de zwakke plekken van de tegenstander, waardoor iets van de spanning weg kon vloeien. Je streeft altijd naar de perfecte balans.”

Spelers mogen nooit het gevoel krijgen dat ze “voor een klus staan die niet te klaren is”, zegt Dorjee. Daarbij is volgens hem de houding van de coach “heel belangrijk”. Spelers moeten merken dat de trainer “goed voorbereid” is, dat hij “vertrouwen in het resultaat” heeft. Dorjee: “Onrustig gedrag van een coach slaat altijd over op het team.”

Danny Blind van Ajax en Stan Valckx van PSV, weten niet wat dat is, zeggen ze: stijf staan van de spanning. Ja, “gezonde spanning”, die kent Blind wel. “Een zekere nervositeit, natuurlijk”. “Maar ik zit niet te bibberen, ik krijg er geen rooie vlekken af. Of ik nou tegen tegen Haarlem speel of tegen PSV of tegen AC Milan, mij kunnen ze niet gek maken. Daar ben ik wel blij om.”

Ook Stan Valckx weet “zeker” dat hij nooit dopanning onder zijn kunnen heeft gespeeld. Hij heeft wel bij andere spelers gezien dat ze geblokkeerd raakten, bij voorbeeld omdat ze “volgepropt werden met opdrachten door een trainer”. Het ligt ook aan de aard van de speler, zegt Valckx. Dat kun je volgens hem al merken bij de voorbereiding voor een wedstrijd.

Hijzelf loopt liefst “een beetje gein te trappen”. Maar anderen zitten anderhalf uur voor het beginal volledig omgekleed “de tegels uit de grond te kijken”.

PSV-keeper Hans van Breukelen heeft er in het verleden geen geheim van gemaakt dat hij soms werd geplaagd door overconcentratie. In zijn boek 'Het engeltje op de lat'

vertelt hij hoe hij daar is afgekomen. Door “te leren relativeren”, “eigen fouten te accepteren” en niet zo krampachtig “te vechten voor waardering”.

Ook Johnny van 't Schip van Ajax geeft toe dat de spanning hem af en toe te machtig wordt. “Dan loopt het van geen kanten.

Dan voel je elk spiertje. Misschien dat je davoren teveel met zo'n wedstrijd bent bezig geweest.''

Volgens Van 't Schip heeft zo'n averechtse reactie alles te maken met zelfvertrouwen, vorm en hoe het elftal draait. “Als alles mee zit, heb je nergens last van.”

Een speler die niet meer tegen de spanning bestand is, kan een heel team ontregelen, zegt Dorjee, zegt Valckx, zegt ook Van 't Schip. Zeker als het om een van de toonaangevende voetballers in een elftal gaat. “Stress”, zegt de sportpsycholoog, “besmettelijk werken.”

Volgens Dorjee staat een coach in zo'n geval tamelijk machteloos. “Soms treedt de leider binnen een team corrigerend op. Soms kan een wissel uitkomst brengen”. Dorjee is “wel eens jaloers” op zijn collega's in het basketbal en volleybal die hun toevlucht kunnen nemen tot een time-out.

Tijdens een wedstrijd valt er aan een overmaat aan spanning weinig meer te doen; vooraf zijn er volgens sportpsycholoog Struijers wel degelijk trainingen denkbaar om spelers te leren adeJH)ter met hun spanning om te gaan. Hij doelt daarbij op ademhalingsoefeningen en ontspanningsoefeningen in combinatie met methoden voor gedragsverandering.

Drs. F.C. Bakker, wetenschappelijk medewerker van de faculteit voor Bewegingswetenschappen van de VU in Amsterdam, zegt dat een aantal spelers best geleerd zou kunnen worden wat meer controle over zichzelf te hebben. Volgens Bakker gaat het om een vaardigheid “waaraan geschaafd kan worden”, net zoals bij baltechnof looptechniek. “Alle energie die verspild wordt aan spanning, komt niet ten goede aan het voetbal.”

Zowel bij PSV als Ajax zeggen ze dat van een hypernerveuze stemming voor morgen “geen sprake is”.