Wat wij zien en horen

Wij schrijven nu wel over spookhuizen op de kermis, maar eerlijk gezegd hebben we er nog nooit een van binnen gezien.

Ja, zo'n paar stapjes de duisternis in achter onze papa aan, maar bij het eerste het beste enge figuurtje deinzen we weer naar buiten. Toch rennen we er op de kermis iedere keer weer naar toe als we zo'n gigantische gevel zien met dracula's en bloeddorstige heksen, grijpgrage skeletten en harige reuzespinnen. Ieder jaar als er hier kermis is, proberen we het weer, maar bij de eerste de beste doodskist waarvan het deksel krakend opengaat zodat je in bleekblauw licht een half vergaan lijk of een kalkwit geraamte ziet liggen rennen we gillend naar buiten.

De baas van het spookhuis weet het zo langzamerhand al. Als onze papa kaartjes komt kopen, stelt hij altijd voor om het eerst maar weer eens even te proberen. Anders is het maar weggegooid geld. Maar dat wil onze papa niet. Hij vindt dat ook voor beginnend griezelen betaald moet worden. Ook stelt de baas van het spookhuis wel eens voor om het licht aan te doen, maar dat willen wij niet, dat vinden we kinderachtig. Dan zie je trouwens meteen dat het allemaal maar nep is en je je bang maakt voor niks. Voor een beetje in elkaar geknoedeld bloederig touw met een gipspop met een tong van rubber uit zijn mond eraan bengelend of een skelet van gips waarvan de botten met roestig ijzerdraad aan elkaar zitten. Maar onze papa is zo'n held. Hij zegt dat hij niet begrijpt hoe wij zo bang komen. Toen hij vroeger net zo oud was als wij werd hij een keer midden in de nacht wakker en toen lag er een zachtjes sidderend geraamte naast hem in bed. En denk je dat hij toen gillend onder de dekens vandaan vloog? Dan ken je hem nog niet, tenminste volgens zijn eigen verhalen. Hij gaf dat skelet een flinke opduvel en zei “Op je eigen helft blijven, jochie”, en toen viel hij weer in slaap. Geloven jullie het?

Nou, wij niet. Ook sliep hij in de oorlog op een duister zolderkamertje naast een oude oom van hem in bed, die een poos bij was komen logeren. Toen hij op een keer wakker werd viel het maanlicht door het zolderraampje precies op het gezicht van die oom. En ineens zag hij dat die oude man met zijn ogen vreemd wijd open zomaar lag te staren. En toen voelde hij dat dat lichaam ijskoud was, zodat het maar een ding kon betekenen, dat hij naast een dood mens in bed lag. Maar denk je dat hij huilend van angst uit bed gesprongen is en zijn vader en moeder is gaan waarschuwen? Volgens zijn eigen zeggen wilde hij hun nachtrust niet verstoren voor zo'n kleinigheid en er was toch niets aan te doen. Hij is rustig blijven liggen alsof hij naast Doornroosje lag en viel even later weer in slaap en droomde van allerlei mooie en fijne dingen. Hij vond alleen, als hij zo nu en dan wakker werd, die open ogen die maar zo in het niets lagen te staren een beetje vervelend. Steeds probeerde hij ze dicht te drukken, maar dan gingen ze weer langzaam open en lag die dode oom weer te staren in het maanlicht. Hij heeft ze toen met een strookje plakband dichtgeplakt. Maar volgens onze mama had je toen nog helemaal geen plakband. Dan zit onze papa zo'n poosje gek te grijnzen alsof hij alle moeite doet om het zich weer te herinneren en dan zegt hij: “Daar heb je gelijk in, schoonheid. Dat is zo.

Er was toen nog geen plakband. Nu weet ik weer hoe het precies gegaan is, ik zie het weer helemaal voor me. Ik heb die kille oogleden over die ijskoude harde oogbollen getrokken met mijn nagels en ze toen met een punaise op het vlees van zijn gezicht vastgeprikt.'' En dan kijkt hij heel eng en ernstig alsof hij dat jongetje dat hij geweest is daar bezig ziet op dat donkere zolderkamertje in die lichtstraal van de maan. Tot hij ineens begint te proesten. Je ziet het, het zijn allemaal maar verhalen. Met een paar weken komt de kermis hier en dan gaan we beslist het spookhuis in. En dan zullen we wel eens kijken of die papa van ons nergens bang voor is.