Vechtmachines, vraagtekens en een oog

Tentoonstellingen: Shinkichi Tajiri. Krijers en andere sculpturen 1952-1958. Toon Teeken. Pli selon Pli. Schilderijen 1987-1991. T-m 1 september in het Bonnefantenmuseum, Maastricht. Di t-m vrij 10-17 u.; za-zo 11-17 u. Catalogus Teeken prijs (f) 27,50. In de reeks Monografieen van Nederlandse kunstenaars (uitgegeven door SDU uitgeverij- Openbaar Kunstbezit) verscheen over Tajiri een boek geschreven door Hestia Bavelaar en Els Barents. Prijs (f) 49,90.

Erotiek, geweld en snelheid spelen in het werk van Shinkichi Tajiri een belangrijke rol. Ook bij de krijgersen andere beelden uit de periode 1952-'58, die in het Bonnefantenmuseum te zien zijn, is dit het geval. In de jaren vijftig waren dit zeker voor Nederland gewaagde thema's. In 1956 vestigde Tajiri zich hier met zijn Nederlandse vrouw, de kunstenares Ferdi, eerst in Amsterdam en vervolgens in het Limburgse Baarle waar hij nog steeds woont. Zijn komst betekende een belangrijke steun voor vernieuwingsgezinde beeldhouwers als Wessel Couzijn en Carel Visser.

De Japanse Amerikaan Tajiri 1923 Los Angeles) ging in 1948 met een beurs in Parijs studeren waar hij in contact kwam met het werk van onder anderen Zadkine, Picasso, Gonzalez, Miro en Ernst. In de gelaste en gesmede ijzeren beelden op deze tentoonstelling is daarvan nog wel iets herkenbaar. Zo herinnert Tajiri's Monument (1953) aan het Monument voor Guillaume Apollinaire dat Picasso in 1928 ontwierp en dat ook een open draadfiguur voorstelt. Zijn Vleesetende plant (1953) toont een verwantschap met Gonzalez' stekelige Cactus-mannen uit de jaren dertig. Gonzalez die zijn landgenoot Picasso assisteerde bij de vervaardiging van zijn eerste ijzeren beelden, ontwikkelde zich later tot een van de belangrijkste beeldhouwers op dit nieuwe terrein.

Ondanks deze invloeden hebben de krijgers, kruisvaarders en schildwachten van Tajiri met hun agressieve, erotische vormen een eigen idioom. In de beelden die zowel bestaan uit gesloten volumes als uit open draadonstructies, zijn ijzeren voorwerpen - sleutels, spijkers en ander (roestig) schroot - verwerkt.

Tajiri combineert inventiviteit en technisch vernuft met een sterke verbeeldingskracht zoals te zien is aan de ingenieuze netwerkachtige constructie van Wounded Knee (1953).

Minder krijgshaftig en lichtvoetiger beelden op de tentoonstelling zijn Circus (1953) en drie fragiele, met veren getooide Vechtmachines die op batterijen voortbewegen. Tajiri maakte deze wagentjes voor de tentoonstelling Bewogen Bewegingdie in 1961 in het Amsterdamse Stedelijk werd gehouden, maar hij liet ze daar niet zien.

Behalve vrijstaande beelden zijn in de expositie ook drie ijzeren reliefs opgenomen. Het oppervlak van deze reliefs is ruw en deels doorboord en met verf en zuren bewerkt. Zij sluiten wat betreft vorm en thema - Verschroeide aarde - aan bij de informele kunst en de materie schilderkunst van bij voorbeeld Jaap Wagemaker. Me Wagemaker vertegenwoordigde Tajiri in 1962 Nederland op de Biennale van Venetie.

In 1958 ontwikkelde Tajiri een bijzondere manier van bronsgieten die hij rode-steentechniek noemde. Door de poreusheid van de steen is het oppervlak van de beelden die op deze manier gegoten zijn, ruw en stekelig, wat hen dat typische Tajiri-achtige geeft. Deze bronzen beelden, waarvan sommige goed bij de krijgers aansluiten, zijn jammer genoeg niet in Maastricht te zien. De tentoonstelling geeft wel een mooi overzicht van de ijzeren beelden. Het valt op dat ze hun oorspronkelijke uitdagende karakter hebben behouden.

In de recent verschenen monografie over Tajiri brengt Hestia Bavelaar de krijgers in verband met de samoerai die in het feodale Japan een belangrijke militaire taak vervulde. Zij doelt daarbij niet alleen op de strijdlustige aard van de samoerai, maar ook op “zijn onafhankelijke levenshouding, waarvoor de Zenboeddhist de term Spiritual Samoerai hanteert”. Dit fraai gellustreerde boek geeft niet alleen een overzicht van Tajiri's werk als beeldhouwer, maar ook als fotograaf.

Rebus Elders in het Bonnefantenmuseum exposeert de Maastrichtse kunstenaar Toon Teeken veertien schilderijen die een indruk geven van zijn ontwikkeling in de laatste vier jaar. Het expressieve schildersgebaar heeft bij Teeken plaatsgemaakt voor het vrij droog 'noteren' van figuren, cijfers en letters op het doek.

In Dood & De Dagen (1984) zijn op een lichtroze ondergrond kleine figuurtjes geschilderd ie samen doen denken aan een rebus. Op andere schilderijen zijn cijfer- en letterreeksen deels gekanteld en gespiegeld weergegeven. Wanneer je probeert de woorden die op Transgressie (de namen) (1989) staan te ontcijferen, blijkt het een lijst van schilders, schrijvers en componisten te zijn, voor wie Teeken kennelijk bewondering koestert: van Goya tot Fabro, van Plato tot Herge en van Bach tot Nono. In de catalogus schrijft Hans Janssen dat deze schilderijen gaan over “het maken van lijsten, het rubriceren van de wereld en het waarnemen dat daaraan vooraf gaat, het verbonden weten in een eindeloze golfbeweging van waarnemen en vermelden -”. Mij stelt zo'n lijstje een beetje teleur. Echt persoonlijk is het niet en het levert niet veel meer op dan tweeeneenhalve kolom spijkerschrift aangevuld met wat planeten, een oog en een vraagteken.

Teekens gebruik van cijfers en letters doet denken aan een andere Maastrichtse schilder, Fons Haagmans, met wie hj in 1986 in het Bonnefantenmuseum exposeerde. Haagmans past cijfers echter puur visueel, als beeldmateriaal toe. Bij Teeken daarentegen blijken de cijfercodes ook betekenis te hebben (bij voorbeeld het geboorte- en sterfjaar van de componisten Nono en Monteverdi) en dat irriteert als het geen sterk beeld oplevert.

In de meest recente schilderijen spelen cijfers en letters bijna geen rol meer of ze zijn verdwenen, zoals in Mythe & Illusie (1991). Dit werk, een sbere, evenwichtige compositie van grijze en zwarte rechthoeken is als schilderij in mijn ogen veel overtuigender.