Van Mierlo slaat terug met artikel in economenblad

DEN HAAG, 14 JUNI. Om het in wielrennerstermen te zeggen: D66 is virtueel de derde politieke partij van Nederland. Weliswaar blijkt dit 'groter groeien' alleen nog maar uit de opiniepeiligen, toch schept het verplichtingen. Al was het maar omdat de grotere broers in de politiek zich bedreigd voelen. Ze eisen daarom meer volwassenheid en minder speelsheid van D66.

Tijdens het grote debat over de bezuinigingen in de Tussenbalans moest runner-up Van Mierlo het een paar keer ontgelden. CDA-fractievoorzitter Brinkman pakte de D66-leider op zijn zwakste plek: “Ik weet dat collea Van Mierlo liever tekent dan rekent”. Economie en de overheidsfinancien, het zijn niet de sterkste punten van D66. Er moest in de partij zelfs enige druk worden uitgeoefend om bij de laatste Kamerverkiezingen ten minste een financieel deskundige op een verkiesbare plaats te krijgen.

Van Mierlo heeft zich het telkens terugkerende verwijt aangetrokken. Deze week staat hij met een artikel in het blad Economisch Statistische Berichten (ESB). Nee, hij heeft het echt helemaal zelf geschreven, verdedigt ijn voorlichter hem.

Samen met hoogleraren en organisatiedeskundigen laat Van Mierlo zijn licht schijnen over het thema 'Vitaliteit van de Nederlandse economie'.

De D66-leider doet mee in de roep om 'nieuwe ordes'. President Bush van de Verenigde Staten heeft het over een nieuwe wereldorde, Brinkman riep twee weken geleden op tot een nieuwe sociale orde, Van Mierlo pleit in zijn artikel voor veranderingen in de economische orde. Economie mag voor hem gliberig terrein zijn, de D66-leider slaat op de hem vertrouwde trom: de vormen van gisteren passen niet meer bij vandaag. Om uit te leggen dat de verstarde Nederlandse overlegeconomie gevaren in zich heeft, grijpt Van Mierlo terug naar een beeld dat hij ook vorig jaar gebruikte: het karkas van de verzuilde maatschappij wordt overeind gehouden door bestuurders, politici en instituten, maar voor de gendividualiseerde burger heeft de zuilenmaatschappij geen betekenis meer.

Volgens Van Mierlo is deze lege, verstarde vezuiling de oorzaak van veel hedendaags, typisch Nederlands kwaad: het grote aantal WAO'ers, het geringe aantal vrouwen met een baan, de hoge arbeidskosten, het drukkende financieringstekort en de grote belasting- en premiedruk. Het steeds maar weer vastleggen van tijdpaden om in de aantallen en cijfers verbetering te brengen is volgens Van Mierlo “symptoombestrijding die z'n doel voorbij schiet”. Hij wil de oorzaak van het probleem aanpakken. “Daarvoor i echter analyse nodig die voor alle betrokkenen (overheid, werkgevers en werknemers) wel eens moeilijker en pijnlijker kan zijn, omdat hierbij zowel de politieke als sociale cultuur op het spel staat.”

Aan de hand van het WAO-vraagstuk analyseert Van Mierlo de wederzijdse afhankelijkheid van overheid en markt die een echte oplossing onmogelijk maakt. Velen zijn de D66-leider in deze analyse al voorgegaan. De remedie is volgens Van Mierlo een “grondige opknapbeurt van het gebouw va de overlegeconomie”, tegen de vlakte hoeft het niet.

Waar precies gesloopt en gestuct moet worden, laat Van Mierlo in het vage. Aansluitend bij de huidige trend pleit hij voor decentralisatie van verantwoordelijkheid naar bedrijfsniveau, maar geeft meteen aan dat al die “micro-beslissers”

natuurlijk het grote belang wel in de gaten moeten houden. Daarom verwacht hij “nog steeds veel van centraal overleg”

tussen overheid, werkgevers en werknemers. Maar, om met Van Mierlo's eigen woorden te sreken, “wie en wat vertegenwoordigen die kaders”. Daar geeft hij geen antwoord op.