Strijd om de erfenis

Wat gebeurt er wanneer imperia uiteenvallen? De omstanders betwisten elkaar de macht - of, op z'n minst, de invloed - over de vrijgekomen gebieden. Zo was een groot deel van de eeuw oorafgaande aan 1914 gevuld met oorlogen over de erfenis van Turkije - destijds 'de zieke man van Europa' genoemd.

De oorlog om Griekenlands onafhankelijkheid (1821-1829), waar de Europese mogendheden zich in mengden; de Krimoorlog (1854-1856); de Russisch-Turkse oorlog van 1878, waaraan Bismarcks 'eerlijk makelaarschap' op het Congres van Berlijn een einde maate; de Balkanoorlogen (1912-1913); ja, zelfs de Eerste Wereldoorlog, waartoe een strijd om de hegemonie over de Balkan, kort tevoren nog Turks gebied, aanleiding was - zij alle hadden daarmee te maken.

Europa's zieke man is nu de Sovjet-Unie, en haar Europese imperium is nog sneller uiteengevallen dan het Turkse in de 19de eeuw. De strijd om de macht in het vrijgekomen Midden- en Zuidoost-Europa is begonnen, zij het - grotendeels dank zij het bestaan van het kernwapen - niet, zoals vroeger, met wapens.

Nog is de Sovjet-Unie niet helemaal itgeteld. Zij blijft een geduchte militaire mogendheid (zoals Turkije - in Gallipoli en Koet el-Amara, waar de Britten in 1915-16 verslagen werden, zou het blijken - lange tijd nog een geduchte tegenstander bleef). Op grond daarvan heeft zij onlangs, bij monde van het secretariaat van het centrale comite van de communistische partij, aanspraak gemaakt op behoud van invloed in haar voormalige Oosteuropese glacis - een aanspraak die zij vooral als grondstoffenlevrancier denkt waar te maken.

Voorlopig echter telt zij zelfs in die hoedanigheid nauwelijks mee. Zij is weliswaar een rijk land, maar kan haar rijkdommen steeds minder te gelde maken. Het is vooral Duitsland dat in het Oosteuropese vacuum gezogen wordt - gezogen omdat er geen Duits plan de campagne achter Duitslands terugkeer in Oost-Europa steekt - bovendien heeft het in zijn eigen oosten, de voormalige DDR, genoeg te doen -, maar er eerder door de berokken landen toe uitgenodigd wordt.

Duitsland is en door zijn nabijheid en door zijn economische macht de meest gerede partij. Wat andere kapers op de kust eventueel aan Oost-Europa's herstel kunnen en willen bijdragen, valt in het niet bij het Duitse vermogen. Al wordt het eerder overvraagd dan dat het zichzelf als zodanig aanbiedt, het is weer de grote mogenheid in het midden van Europa geworden.

Dat geeft natuurlijk scheve ogen bij Frankrijk, altijd bevreesd voor Duitse hegemonie. Nit voor niets spoedde Mitterrand zich, toen in de herfst van 1989 de orde van Jalta ineenstortte, naar Kiev en naar de DDR om toch nog iets van die door Frankrijk altijd zo uitgekreten orde te redden. Het herinnerde zich de Frans-Russische allianties van 1892, 1935 en 1944, en ook zijn allianties met Polen, Tsjechoslowakije en Roemenie tussen de twee wereldoorlogen - als herverzekering tegen Duitsland. Het heeft niet veel geholpen. Duitsland werd toch een en dus, in potentie (in werkelijkheid nog nie), machtiger.

Uit dezelfde tijd, eind 1989, dateert een ander Frans plan: voor een Europese confederatie, alle Europese landen, de Sovjet-Unie incluis, omspannend. Ook dat was kennelijk bedoeld om het in Oost-Europa ontstane vacuum met zoveel mogelijk Franse invloed te vullen, maar ook met dat plan dreigt Frankrijk weinig succes te zullen hebben. En dat komt dan voornamelijk door Frankrijks eigen toedoen.

In de eerste plaats is het plan vaag gebleven. Zoals met zoveel door Frankrijk gelanceerde ideeen het geval is, wil het zichzelf niet blootgeven of vastleggen (zo weet niemand wat Frankrijk precies met Europa's 'verdedigingsidentiteit'

bedoelt en - belangrijker nog - welke functie Frankrijks strijdkrachten daarin zullen spelen). Zoiets animeert natuurlijk niet.

Dat leidt dan weer tot Franse gepikeerdheid. Zo was Mitterrand verleden week in Rijssel 'furieus' op Kohl, omdat Duitsland net had ingestemd met een snelle interventiemacht van de NAVO, waarmee het de Franse plannen voor zo'n Europese militaire eenheid ondergroef. Maar ja, dan had Frankrijk maar iets duidelijker moeten zijn over zijn eigen plannen. Beter nog: dan had het zelf maar in Brussel aanwezig moeten zijn, waar tot die interventiemacht besloten werd.

Maar terug naar het plan voor een Europese confederatie. De Franse aap kwam uit de mouw, toen Mitterrand in een gesprek te Parijs Vaclav Havel, die hij als co-sponsor voor zijn plan wilde hebben, verstomd deed staan door zijnanti-Amerikaanse tirades, die, aldus een assistent van de Tsjechoslowaakse president soms 'irrationeel, bijna surrealistisch' waren.

Nu, Havel had er natuurlijk helemaal geen belang bij, de Verenigde Staten tegen zich in te nemen. En zo is de bijeenkomst te Praag, waar die conferentie ten doop gehouden zou moeten worden, gedegradeerd tot een bijeenkomst van 150 particulieren, die dus hun regeringen niet binden; maar met Amerika erbij, wat oorspronkelijk niet Mitterrands bedoelingwas geweest.

Merkwaardig hoe de Fransen, die toch doorgaan voor subtiele diplomaten, vaak de plank misslaan of roet in eigen eten gooien. Uit zelfoverschatting? Of uit onderschatting van anderen? Of raakt de oude Florentijn, zoals Mitterrand wel genoemd wordt, zijn toucher kwijt? Of denkt hij, met het oog op de verkiezingen van 1993, dat Frankrijks kracht in zijn isolement ligt? Hoe het ook zij - op die manier ziet Duitsland, bijna tegen zijn wil en zeker onnoig, zijn invloed groeien.

In deze constellatie is het voor een land als Nederland wijze politiek zijn lot noch al te zeer te verbinden aan een Frankrijk dat geen garanties wil geven waarop staat te maken is, noch aan een Duitsland dat, straks misschien geregeerd door de socialisten, die, zoals in het hoofdartikel in deze krant op 10 juni stond, nu al bezig zijn “zich los te praten van veel wat de Bondsrepubliek tot dusver aan de bondgenoten bindt”; kortom, geen oude Atlantische schoenen weg te ooien alvorens er betrouwbare Europese voor in de plaats zijn, en verder de kat uit de boom te kijken. Herosch is het niet, maar dat is Nederlands politiek nooit geweest.