Poolse Afrika-expert Kapuscinski bekend van zijn belevenissen met keizer Haile Selassi: 'Geen wonderen verwachten van machtswisseling Ethiopie'

WARSCHAU, 14 JUNI. Een Pool praat doorgaans alleen over Polen, Ryszard Kapuscinski is de bekendste uitzondering. Eind jaren vijftig pakte Kapuscinski zijn koffers en vertrok naar Afrika. Als correspondent voor het Poolse persagentschap PAP begon hij artikelen te schrijven over het zwarte continent. Eerst vanuit Dar es Salaam, daarna vanuitde Keniase hoofdstad Nairobi.

“Ik wilde niet over Europa schrijven”, aldus Kapuscinski.

“Wie over de Sovjet-Unie of Duitsland schreef, kreeg de censor achter zich staan. Rhodesie, Opper-Volta, Congo. Geen censor wist waar het lag. Het was exotisch, ik was een exoot.” Kapuscinski maakte in Afrika alles mee wat er te beleven was. Hij zag Mobutu Sese Seko de macht grijpen in Congo, hij zag hoe de Cubanen en Zuidafrikanen Angola binnentrokken en hoe Idi Amin moordde in Oeganda. Maar een onderwerp maakte hem beked in Polen en daarbuiten: keizer Haile Selassie.

Kapuscinski kwam geregeld in de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba en trok door het bergachtige land. Hij zat aan bij banketten die de keizer voor buitenlandse gasten serveerde en zag hoe elke keer weer duizenden van de honger omkwamen. Na de val van keizer Haile Selassie in 1974, en de machtsovername van Mengistu Haile Mariam ging Kapuscinski opnieuw naar Addis Abeba. Hij sprak er, in het diepste geheim, met de dignitarissen die de goddelijke keizer hadden omringd aan het hof. Hij sprak met lakeien en de andere hofdienaren die door de wandelgangen doolden van de Ethiopische macht. Zij gaven hem een beeld van de intriges, de roddel en het ellenbogenwerk aan het hof. De Keizer stond centraal, de status van ieder ander was een afgeleide. Kapuscinski schreef daarop het boek 'De Keizer' dat de ziel blootlegde van de feodale macht in het land van de eeuwige hongersnoden.

Met meer dan doorsnee belangstelling volgt hij nu de omwenteling in Ethiopie. Mengistu, de meest radicale en wrede onder de lieden die de keizer ten val brachten, is zelf gevallen. “Ethiopie was het laatste overblijfsel van de Koude Oorlog”, zegt Kapuscinski in zijn Warschause woning. “De val van Mengistu laat zien dat de militaire dictaturen ook in Afrika geen kans meer hebben. Het proces voltrekt zich stapsgewijs. Van Ethiopie tot Angola, van Benin tot Somalie: een dictatuur is niet meer de oplossing. Er is een tendens naar democratie. En dat is een positief teken.” Toch denkt Kapuscinski dat Afrika in een moeilijke fase zal blijven.

“Het einde van de Koude Oorlog is niet per definitie goed nieuws voor Afrika. De landen kunnen Moskou en Washington niet meer tegen elkaar uitspelen. Ze staan buitenspel want Oost en West hebben Afrika niet meer nodig. Afrika raakt in de marge, komt in de vergeethoek en verkommert verder'.

Volgens Kapuscinski moet niemand grote wonderen verwachten van de machtswisseling in Ethiopie. “Het land bestaat uit vele volken en religies. Voor een Ethiopier is etnische identiteit hetenige richtsnoer. De kans is groot dat de guerrillaleiders met elkaar ruzie krijgen en de onderlinge strijd gewoon doorgaat.” Kapuscinski denkt dat de boerenbevolking - en dat is ruim 90 procent van de bevolking - niets van de verandering zal merken. Dat gaat langs de massa van miljoenen boeren heen.

Toen ik over het platteland reisde, wisten de meesten niet wie er aan de macht was. Addis Abeba is voor deze mensen ver weg.''

De auteur van 'De Keizer' gaat ervan uit dat de hongersnoden gewoon doorgaan. “In Ethiopie is altijd hongersnood geweest, onder de keizer en onder de communisten.” Kapuscinski herinnert zich een gesprek met een hofdienaar die in hongersnoden het beste middel zag om de macht van de keizer te handhaven. “Voor de verbetering van de orde en de vergroting van de bescheidenheid is het geen slechte zaak om de onderdanen te laten vermageren en verhongeren. Het nut van het hongeren is dat degeen die hongert alleen aan voedsel denkt.

Hij kan zich dus niet bezighouden met het verlangen ongehoorzaam te zijn'', zo zei deze hofdienaar.

Hongersnood hoorde onder de keizer tot de wetten van de natuur, de eeuwige orde der dingen. En ook onder Mengistu was hongersnood een middel bij uitstek. Hij wilde opstandige volken uithongeren, miljoenen stierven. “Het lot van de miljoenen boeren zal echt niet beter worden. Aan land is geen gebrek in Ethiopie, maar aan water en ossen. De boer zal zo arm als een luis blijven, maar hij zal ook niet in opstand komen. De wereld raakt moe van Afrika en denkt: weer zo'n hongersnood. De Afrikaan heeft geen kracht meer voor grote opstanden. Hij denkt alleen nog aan voedsel, overleven, aan de dag van vandaag.”

In Afrika is er een tendens naar democratie omdat dictators de staten failliet hebben gemaakt. “We moeten niet naef zijn en denken dat in Afrika nu de mooiste democratieen opbloeien. Dat is nietzo. Afrikaanse landen hebben geen publieke opinies, pers of partijen. Maar dictators verdwijnen en er is een neiging om meer te letten op mensenrechten, scheiding van machten en een beter bestuur. Dat is al een hele vooruitgang.”

Volgens Kapuscinski zou Afrika moeten terugkeren naar de ziel van de boer. “Landen die de sprong naar de industrialisatie wilden maken, zijn helemaal op de klippen gelopen, zoals Nigeria. Mensen trokken naar de steden en leven nu in betonnen jungles.Lagos: geen werk en geen eten, niets. Veel Nigerianen leven er als ontwortelden. En Tanzania is ook stukgelopen met het plan om boeren te dwingen in grote dorpen te wonen. Dit idee kwam van China. Ik zie Nyerere nog met zijn Mao-pakje uit Peking terugkomen. Hij wist hoe het moest. Maar de dorpen verkommerden. Afrika heeft zijn platteland verwaarloosd want 'zelfvoorziening' was ouderwets. Maar goed dat de boeren niet luisterden. Zelfvoorziening is nu de enige bron om nogte overleven.”

Kapuscinski zal over enkele maanden weer alles van hongersnoden en burgeroorlogen zien. Hij keert Polen weer een tijd de rug toe en vertrekt naar Soedan. “Ik kom hier eigenlijk alleen maar om te schrijven”, zegt de 59-jarige Pool. Hij volgt de politiek in zijn land, praat met andere schrijvers en is lid van de PEN-club. Voor de meeste Polen is hij de kosmopoliet bij uitstek, een man van de wereld die over de Oder en de Boeg kijkt. Polen is zijn vaderland, zijn hart ligt in de Derde Wereld.

Kapuscinski heeft veel bloed en doden gezien, maar werd nooit een cynicus die zich wentelt in galgenhumor. Hij houdt interesse, straalt warmte uit en behoort tot de kleine groep Polen die hun land bekijken met het vermogen tot relativeren.

“Polen is een land van narcisten. Het is altijd bezig met zichzelf: druk, emotioneel en impulsief. Ik voel me een immigrant in Warschau.”