Pas op het vogeltje

Van een Ier die in Nederland op vakantie was, hoorden we dat er veel kabouters in Ierland wonen. “Ik vind dat het tijd wordt om naar Ierland te gaan,” zei mijn vriend Jan. “Laten we maar meteen vertrekken.” Nadat we met de boot twee zeeen waren overgestoken en aan land waren gegaan, zei Jan: “Hier in de omgeving zijn geen kabouters, voor zover ik weet. Kabouters schijnen niet erg dol te zijn op baile atha cliath.” “Wat is baile atha cliath?” vroeg ik. “Dat is de Ierse naam voor de hoofdstad Dublin,” zei Jan. Via smalle weggetjes bereikten we een piepklein dorpje waar wel elf cafes waren. “Drinken kabouters veel alcohol?” vroeg ik. “Heel af en toe een glas whisky met ijsblokjes,” zei Jan. “Maar als kabouters drinken, doen ze dat niet in een cafe. In een Iers cafe zal je geen kabouter tegenkomen, daar komen alleen maar Ieren.”

Het huis waar we zouden logeren, bleek boven op een eenzame heuvel te staan. In de oude stenen muur die om het huis stond, was een poort met een ijzeren hek. Daarachter lag een tuin die zo groot was als een park. Tussen de planten en struiken stonden hoge, dunne bomen waarvan de takken op lange apestaarten leken. De voordeur van het huis was omrankt door bloeiende rozestruiken die langs de muren naar het dak geklommen waren. “Er woont een buitengewoon klein vogeltje boven de deur,” zei Jan die een wandelingetje door de tuin was gaan maken. “Het is zelfs kleiner dan een mus. Af en toe vliegt het naar buiten om iets te eten, vermoedelijk een insekt of zoiets.”

Nadat ik een tijdje door de verrekijker in de rozestruiken had getuurd, ontdekte ik het buitengewoon kleine vogeltje. Het was een vliegevangertje dat boven de deur een nestje had gebouwd tussen de rozetakken. “Kan je zien wat voor ogen hij heeft?”

vroeg Jan. “Heel kleine ogen,” zei ik. “Dat is het probleem met kleine vogeltjes,” zei Jan. “Ik kan er ook maar niet achter komen wat voor kleur ogen een mus heeft.”

Het was erg warm in de ommuurde tuin. De zon scheen en er was geen wolkje aan de hemel. Het had al weken niet geregend, wat in Ierland heel uitzonderlijk is. “Laten we buiten op de heuvel in de wind gaan zitten dan kunnen we in de verte de bergen van Tipperary zien,” zei Jan. We zaten nog maar net buiten op de heuvel of er dook een kudde vee op, die omzwermd werd door vliegen. De koeien kwamen in een sukkeldrafje op ons af. Daarna gingen ze in een kring om ons heen staan en begonnen ons aan te staren. Het waren er minstens twintig. Er kwam nu ook een konijn aanrennen. De koeien draaiden hun koppen allemaal in de richting van het konijn. Toen het konijn uit het gezicht verdwenen was, begonnen ze ons weer aan te gapen. “Ze zouden eens een leuk televisie-programma voor koeien moeten maken. Die beesten vervelen zich dood,” zei Jan terwijl hij een steekvlieg uit zijn haar sloeg. Omdat de koeien geen aanstalten maakten om te vertrekken, besloot ik boodschappen te gaan doen in het dorp. “Er wordt hier op een kolenfornuis gekookt, ik zal het vuur vast aanmaken,” zei Jan. Na een uurtje klom ik met mijn boodschappentas de heuvel op. Uit de verte zag ik een oploopje van koeien voor de poort van het huis staan. Ze probeerden allemaal tegelijk door de spijlen van het hek in de tuin te kijken. Nadat ik met mijn boodschappentas over de muur was geklommen, zag ik een rookgordijn. De rookwolken kwamen uit de openstaande ramen en deuren. “Ik zit in de tuin, het rookt binnen een beetje,”

riep Jan toen hij mij over het pad hoorde lopen. Aan het eind van de avond was het duidelijk dat het fornuis het vertikte om te branden, het wilde alleen maar roken.

Toen we de volgende ochtend wakker werden, hing er nog steeds een rooklucht in het huis. In de tuin was het al weer aardig warm, het leek wel of er een hittegolf uitgebroken was. De struiken en planten hingen er slapjes bij. We lieten emmers in de waterput zakken en gooiden die leeg over de bloembedden terwijl de koeien weer door het hek naar ons gluurden. Na het besproeien van de zevenentwintigste rododendron hoordenwe het ijzeren hek bij de poort rammelen. “Dat zijn de koeien,” zei ik. “Er staat iemand bij het hek,” zei Jan.

“Well, well,” hoorde ik zeggen, “jullie vreemdelingen zijn planteredders.” Over het tuinpad kwam een type aangelopen dat met een krullebol, een grappig, met sproeten overdekt mopsneusje en listige blauwe oogjes. “Ik heet Sjerrie,” zei het type dat niet groter was dan een kind van een jaar of negen. “Ik kom eens kijken hoe jullie het maken.” Sjerrie had het mooiste rode haar, dat ik ooit gezien heb. In het zonlicht leek het net glimmend rood koperdraad. “Wat ruikt het hier vreemd,” zei Sjerrie. “Het fornuis heeft zeker weer problemen gegeven. Ik zal er eens even naar kijken.” Na een korte tijd dansten er blauwe vlammetjes in het fornuis. Daarna verdween Sjerrie in de kelder. In de tuin verschenen plotseling waterstralen die uit de tuinsproeiers omhoog spoten en als een motregen in de tuin neerdaalden. “Ik heb de waterpomp meteen ook maar even in werking gesteld,” zei Sjerrie. “En nu heb ik wel zin in een whisky met ijs.”

Toen ik de glazen naar het terras bracht, riep Sjerrie: “Pas op, je trapt bijna op een vogeltje.” Ik keek naar de grond maar ik zag nergens een vogeltje. “Het is een jong van een vliegevangertje, dat waarschijnlijk uit het nest boven de deur is gevallen. Een jong vliegevangertje is erg klein. Lang niet iedereen kan een pasgeboren vliegevangertje waarnemen,” zei Sjerrie.

We brachten Sjerrie tot de poort en namen afscheid onder het oog van de koeien. “Boe,” zei Sjerrie zachtjes waarop de kudde zich in beweging zette om vredig te gaan grazen. Daarna daalde Sjerrie neuriend de heuvel af. Ineens herkende ik het wijsje dat Sjerrie zong. Het was een liedje uit de Walt Disneyfilm Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen. “Ik ben nog vergeten te vragen wat voor kleur ogen een mus heeft,” zei Jan. “Dat weet die Sjerrie vast wel.” We liepen de poort uit om te kijken of Sjerrie nog in de buurt was. Maar Sjerrie was al in het landschap verdwenen.

Mol maakt op een fascinerende manier gebruik van de eigenschappen van de door hem uitverkoren materialen. Zijn 'Icarusbloem' is een glasplaatje waarop zwanenveren als bloemblaadjes zijn gerangschikt rond een oranje cirkel, die uit een mengsel van gesmolten lood en menie is gemaakt. Het zinspelen op een verwachting die niet is uitgekomen, gebeurt ook in 'De Berusting'. Dit werk wordt gevormd door een blokje hout waarop losse eieren van lood en een witte kom met loden eieren zijn geplaatst. In het werk van Mol gaat de droom niet in vervulling maar is de werkelijkheid van raadsels vervuld. Soms neigt het dan ook naar het surrealisme zoals in de plaatijzeren schilderijen met uitgezaagde cirkels, stangen en een stemvork waaraan sierlijke, witte oorschelpen 'groeien'.