Pantagruel achter de schrijftafel; Essays en kritieken van Paul Rodenko

Paul Rodenko: Verzamelde essays en kritieken. Over Hans Lodeizen, Tussen de regels, De sprong van Munchhausen en Op het twijgje der indigestie. Bezorgd door Koen Hilberdink. Uitg. Meulenhoff, 599 blz. Prijs (f) 89,50.

De dichter en essayist Paul Rodenko (1920-1976) woonde en werkte een groot deel van zijn leven in Zutphen. Deze woonplaats, gelegen buiten het literaire bedrijf, is exemplarisch voor iemand als Rodenko, een man die op afstand over de naoorlogse poezie wilde schrijven maar dan niet anekdotisch of quasi-biografisch. Hij is ook niet de chroniqueur van de Beweging van Vijftig, hoewel hij enkele dichters persoonlijk kende. Hij begeleidde op strikt analytische wijze de poezie van Lucebert, Gerrit Kouwenaar, J.G. Elburg, Hugo Claus, Hans Andreus en anderen in tal van artikelen en essays, voornamelijk verschenen in de NRC en Maatstaf.

Onlangs verscheen bij uitgeverij Meulenhoff het eerste deel van de vier delen Verzamelde essays en kritieken van Paul Rodenko. Dit jaar nog volgt deel 2 over Gerrit Achterberg en de experimentele beweging; later zien de literaire essays en verspreide kritieken het licht.

Over een verhandeling van Rodenko is wel eens geschreven dat ze meer moeilijke woorden bevat dan een tijdgenoot ooit in zijn hele leven zou gebruiken. Dat valt bij herlezing van het eerste deel van het verzameld werk mee. Het vroegste artikel dateert uit 1945 (over poeziekritiek), het laatste uit '57 (over de Franse 'poetes maudits'). In de loop van die twaalf jaar ontwikkelt Paul Rodenko zijn manier van lezen en schrijven, aanvankelijk uitsluitend over Nederlandstalige poezie, later over internationale literatuur, Freudiaanse psychologie, religie, surrealisme en zelfs natuurwetenschap.

Hij bouwt zijn essays contrapuntisch op. Enerzijds is er de stem van de lezer die een gedicht met open blik tegemoet treedt, zich verwonderend over de vernuftigheid van verstechniek en taal. De essayist is hier streng en cerebraal. Anderzijds heeft Rodenko een hang naar het hogere en ligt religie voor hem in het verlengde van poezie. Voor hem is “het leven onbetekenend als je niet gelooft in iets wat boven jezelf uitgaat”. Literatuur is een raadsel of, om met Gerrit Achterberg te spreken, een cryptogram dat erom vraagt door de lezer opgelost te worden. Via omtrekkende bewegingen probeert Rodenko toegang te krijgen tot het gedicht.

Doler Zelf schrijft hij over zijn methode: “Want inderdaad is ook de essayist zoals ik die zie een Odysseus, een doler, een avonturier en ontdekkingsreiziger; maar een doler die nooit thuiskomt (al blijft hij misschien tegen beter weten in hopen), zijn zoeken en schrijven een Odyssee zonder slothoofdstuk. Hij is als de ontdekkingsreizger van Slauerhoff; ontgoocheld zodra zij gevonden hebben wat zij zochten, zodra het 'geheim' ontsluierd is.'

Rodenko is op zoek naar de kern van een gedicht of hij wil, zoals in het essay over Hans Lodeizen, “iets van de grondstructuur van Lodeizens dichterlijk wereldontwerp zichtbaar” maken. Hij isoleert het gedicht van de maker en analyseert het als een autonoom taalkunstwerk, een machinerie van woord, beeld, associatie en eventuele verwantschap met andere poezie.

Het vertoog over Hans Lodeizen is op deze wijze prachtig geslaagd; het is aanstekelijk en geeft de lezer een handleiding om een vers, dat op het eerste gezicht ondoorgrondelijk is, toch te verstaan. In andere essays, zoals bij voorbeeld over Ter Braak, Antonin Artaud of over de religie bij Vestdijk, lijkt Rodenko geen vrede meer te hebben met zijn techniek van 'dichtbij lezen' en heeft hij net iets te veel psychologie of psycho-analyse nodig.

De concentrische cirkels die hij volgt, geven hem ook iets van een letterkundige Pantagruel, maar dan in gunstige betekenis.

Reikhalzend is Rodenko op zoek naar theorieen en begrippen om het geheim van de literatuur te ontraadselen. Hij heeft een sterke hang naar het nieuwe, waardoor deze bundeling tegelijk en tijdsdocument is geworden van het eind van de jaren veertig tot halverwege de jaren vijftig. Rodenko's activiteit is nerveus en avontuurlijk. De metafoor van het toneel als plaats waar conflicten worden uitgevochten is voor hem even wezenlijk in de analyse van literatuur als de begrippen 'existentialisme' en 'engagement', die zo'n veertig jaar terug opgeld deden.

Het is op het eerste gezicht merkwaardig om Faulkner met Sartre te verbinden, zoals Rodenko doet in 'Het einde van de psychologische roman' uit '46, toch is zijn verhandeling over The Sound and the Fury de helderste en intelligentste die ik erover las. Met deze roman luidde Faulkner een tijdperk in waarin psychologie en esthetiek in de literatuur plaats maken voor ethische problemen, want de waarden zijn verschoven. The Sound and the Fury is een roman vanuit verschillende gezichtspunten, dus met verschillende opvattingen over goed en kwaad als inzet.

HOOGSTE RANG

In het opstel 'De functie van het boek in de samenleving'

onderscheidt Rodenko de drie aspecten waaruit literatuur bestaat: het idee, de vorm en de metamorfose der verbeelding.

De vorm, het apollinische aspect, krijgt in de hierarchie de hoogste rang. Het is “de vorm, de taalkundige formulering die een idee tot idee, een romanfiguur tot figuur maakt”. Zonder vorm geen waarheid of literatuur. De vanzelfsprekendheid die wij nu toekennen aan deze gedachte is aan Rodenko te danken, die zich verzette tegen impressionistische, meevoelende literatuurkritiek. Een analyse moet hard zijn, zoals proza of poezie ook naar de vorm hard is. Dat betekent niet dat Rodenko de emoties uit de literatuur wegcijfert. Aan gevoelsontladingen heeft de lezer niets, luidt zijn stelling.

Is de vorm eenmaal verklaard, dan kan het boek op zijn universeler dimensies beoordeeld worden.

Net zo min als mystiek zonder ratio kan, kan de vernieuwende naoorlogse poezie zonder traditie. Bij verschijning van de eerste bundels van de jonge dichters wees Rodenko op voorgangers, door wie zij zich lieten inspireren. Zo verbindt hij het werk van Lucebert met de poezie van Holderlin en toont hij aan hoe de gedichten van Hans Warren teruggaan op Tempel en Kruis van Marsman. Het werk van beiden is ontstaan onder 'de gloeiende, loodrechte zomerzon' van het zuiden. In dit eerste deel passeren tal van Nederlandse en internationale schrijvers en dichters de revue. De lezer kan nu voor zichzelf beslissen of auteurs als S. Vestdijk, Henry Miller, Sartre, Paul Valery, Lucebert, Hans Andreus, Artaud, Faulkner en T.S.

Eliot nog steeds van invloed zijn op de hedendaagse letteren of helemaal niet meer.

Voor Rodenko is de dichter een aanwezige, zoals hij schrijft over A. Roland Holst: “hij kent alleen de ene weg, de weg die hij gaat”. Rodenko is in zijn beschouwende werk even sterk een aanwezige. Zijn opvatting van essayistiek als dolen en zoeken, en misschien nooit vinden, maakt dat zijn gedachten bij het lezen van literatuur net zo avontuurlijk zijn als de romans of gedichten zelf. Het verschil tussen primaire en secundaire literatuur is verdwenen.