Over de aandoenlijkheid van de achttiende eeuw; Ondanks alle moeite van geen enkel nut

In de achttiende eeuw bloeide het literaire leven, maar of wat er geschreven werd nu ook werkelijk zo interessant was? Ze hadden het goed voor mekaar, met hun rente-op-rente-op-rente, hun gecoiffeerde laantjes, die parmantige equipages, die pruiken en poeders, zo goed, dat ze zich soms wellicht verveelden. Het loont de moeite eens te kijken naar wat niet zo perfect was, naar de mislukte schrijvers, de oplichrs, de flierefluiters, naar Jacob Campo Weyerman en zijn vriend Franciscus Lievens Kersteman.

Een van de meest aantrekkelijke kanten van de geschiedenis is dat zij ons niets kan leren. Zij treedt ons pompeus tegemoet in de gedaante van meer dan levensgrote standbeelden, die machteloos hun manhaftigheid tentoonspreiden temidden van het voort- en voorbijrazende van alledag. F. Domela Nieuwenhuis die achter de Haarlemmerpoort te Amsterdam met een fors armgebaar')Halt!' of juist 'Voorwaarts!' duidt, terwijl het verkeer alle kanten opschiet, Rembrandt die op het naar hem vernoemde plein hoofdzakelijk van onderen wordt gekend, door urinerende boemelaars, al die helden-op-sokkels, verdwaald op pleinen en in plantsoenen, fier blikkend in een wereld die allang niet meer bestaat, wat kunnen wij in godsnaam van hen leren? We kunnen hoogstens met hen te doen hebben, met hun leven dat heel erg dood geworden is, het enige datij kunnen doen, is proberen hen niet te vergeten, althans niet helemaal te vergeten.

Daarom zetten we af en toe zo'n dode op een voetstuk. Maar wie denkt er nog aan al die doden die geen standbeeld hebben gekregen, die ronddolen in het dodenrijk dat wij de Geschiedenis noemen en waar meer zielen wonen dan in onze wereld, zo veel dat ze onmogelijk allemaal nog gekend kunnen worden?

Misschien wel de aandoenlijkste eeuw - tenminste als je je bekommert om het vergeefse van al degJH)nen die dood geworden zijn - is de achttiende, en vooral zoals die in onze streken voorbijgesukkeld is.

Omdat er lang en hardnekkig is verondersteld dat er uit het verleden iets te leren viel, hebben historici keer op keer Grote Lijnen getrokken tussen vroeger en nu, en het zijn deze Grote Lijnen die de achttiende eeuw in Holland hebben weggestreept of gereduceerd tot losse eindjes. Bij de Romeins treedt dit verkommerde tijdperk naar voren als een verdofte nasleep van de voorgaan Gouden Eeuw, een verijling die zij daadwerkelijk meenden te zien in het bleke pastel der schilders, dat ieletjes afstak tegen het forse koloriet der grote meesters. Ook figureert de achttiende eeuw hier te lande vaak als opmaat tot de 'moderne tijd' - verlichte filosofieen en revolutionair rumoer, een algehele atmosfeer van verandering en overgang die echter hoofdzakelijk elders in Europa werkelijk betekenis had.

In dit licht - zowel dat van het verblende pastel dat scheen te wijzen op verdoffing en teloorgang als dat van de Verlichting in de verte - in dit zoete strijklicht van te laat en elders kortom verschijnt ons de Hollandse achttiende eeuw: een parade van bepoederde burgerheertjes, met ronde buikjes vol tevredenheid en stompe ledematen ten teken van hun zelfgenoegzaamheid, keuvelend en promenerend op weg naar niets bijzonders.

Het lieve van die heertjes is date zelf van die onbenulligheid hoegenaamd niet op de hoogte waren; ze leden er in elk geval niet onder. Monter, is een woord dat je te binnenschiet als je de kopergravures uit die tijd bekijkt, en: onbezorgd, en: optimistisch. Ze hadden het dan ook goed voor mekaar, met hun rente-op-rente-op-rente, zo goed, dat ze zich, denk je stiekem, soms wellicht best eens verveelden. Die gecoiffeerde laantjes, die parmantige equipages, die pruiken en poeders, die hele fransozerie van de pruikentijd: het drukt, met die zorg voor pico bello, vooral een enorme verveling uit - niet de versmachtende langueur van de romantici of het wanhopige spleen der decadenten, maar de doodgewone saaie ennui waarvan men zo gapen moet. (Er zou een Geschiedenis Van De Verveling geschreven kunnen worden!)

Beoordeeld vanuit het perspectief van de verveling krijgt de achttiende eeuw onverwacht een heel wat levendiger aanschijn.

Als je het gros van de literatuur over die tijd mag geloven, was het een en al tuttighe wat betreft vorm en gebaar en betutteling waar het de zeden en gewoonten betrof. Vooral die betutteling, die opvoedingsdrang, die zo opdringerig naar voren treedt met zijn Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, met zijn Hieronymussen van Alphen en zijn pamfletten en geschriften voor en tegen dit of dat, heeft zowat het zicht ontnomen op veel aansprekender kenmerken van die voor ons zo begrijpelijke samenleving. Er ligt in de geschiedschrijving helaas vaak te veel nadruk op het ideologiche, het theoretische, op de goede bedoelingen, terwijl er toch zo veel te verklaren valt uit de motieven: niet wat, maar waarom iemand iets deed - een vraagstelling die ons brengt in het duistere labyrint van vage verlangens, angsten, twijfels, teleurstellingen en onvervulde wensen, een donker oord kortom waar de wetenschappers terugdeinzen en de romanschrijvers nieuwsgierig beginnen te worden. In dit labyrint, deze 'ondergrondse' geschiedenis, huist ok de verveling, die ik hier als een karakteristiek van de achttiende eeuw wil aanvoeren.

Net als in onze tijd was er toen een manie voor het gedrukte woord en net als nu werd er toen meer veel dan goed geschreven. Deze letterkundige bedrijvigheid kon daarom, gelet op de geringe zeggingskracht, helaas het best gezien worden als een goedbedoeld tijdverdrijf van lieden die zich op verantwoorde wijze wensten te vervelen. Wie zou het in zijn hoofd halen om onze tijd zinderend aan ideeenn uitdrukkingskracht te noemen, alleen omdat er zo veel kranten en bladen worden volgeschreven? Zo komt het mij altijd wat potsierlijk voor om de achttiende eeuw te beoordelen naar de toen heersende ideeen op het gebied van opvoeding, moraal en staatsinrichting . . . alsof degenen die na ons komen onze tijd zouden willen leren kennen door de hoofdartikelen van de Volkskrant en NRC Handelsblad uit te vlooien, terwijl de ware aard toch eerder te vinden is in de hoeken en nissen die wij cumns noemen of bij de faits divers over moord, doodslag en ander curieus gedrag.

Aldus redenerend, en met enige lekenbravoure de goede bedoelingen van de in de geschiedkundige werken zo prominent aanwezige tutten en betuttelaars met een 'jammer maar helaas!'

terzijde schuivend, wil ik mijn aandacht richten op enkele uitzonderlijke mislukkelingen, schrijvers die voor 't Algemeen van geen enkel Nut waren en staatslieden aan wie de Staat volstrekt geen boodschap had. Niet de lering, maar het vermaak, waaraan in die verveelde tijd zo'n behoefte was en waarin listige lieden op al even listige wijze voorzagen. Niet Justus van Effen met zijn degelijke Hollandsche Spektator, maar Jacob Campo Weyerman met zijn opruiende Oog in het Zeil, niet de machtige Willem Bentinck, maar de luchthartige landverrader Johan Willem van Ripperda, niet de stichtelijke damesschrijfsters Aagje en Betje, maar de promiscue dubbelspionne Etta Palm.

Het is opvallend hoe er in de achttiende eeuw een geheime voorliefde bestond voor dergelijke onfatsoenlijke types, die, net als hun buitenlandse broeders-in-het-kwaad, de mooiprater Casanova, de gebedsgenezer Cagliostro en de Corsicaanse nepkoning Theodore de Neuhoff, vaak een niet geringe faam genoten. Maar wie, die op zijn buiten aan de Amstel of de Vecht zat te knikkebollen boven een opvoedkundig werkje, zou niet blij geweest zijn met zo'n rare kwast over de vloer om de verveling voor een middagje te verdrijven? (Ikzou hier haast uit eigen ervaring kunnen spreken, aangezien een mijner voorvaderen, de zilversmid Albert de Thomese, destijds beroemd om zijn kunstige tierelantijnen, ooit is opgelicht door de biograaf van de scherpschrijver en avonturier Jacob Campo Weyerman, de haast even roemruchte Rare Snuiter Franciscus Lievens Kersteman, die mijn voorvader volgens niet zeer betrouwbare bron (Kersteman zelf) voor 2500 gulden tilde - een hele eer om voor zo'n luttel bedrag in het leJH)vensverhaal van zo'n schitterende schurk als Kersteman terecht te komen!) Overal vonden bedriegers een gastvrij onthaal. John Law, een ontsnapte gevangene uit de Londense Tower, bracht het aan het Franse hof tot minister, Ripperda, ambassadeur voor de Staten-Generaal te Madrid, stapte over op het katholieke geloof en werd minister van de koning van Spanje, die hij ook weer verried om in Marokko wederom een 'nieuw leven' te beginnen. Frappant is niet zozeer da zulke nogal weinig principiele lieden steeds gemakkelijk emplooi vonden in de hoogste kringen (dat zien we te onzent ook), maar dat ze juist vanwege dat onbetrouwbare, dat blijkbaar als bruikbaar pragmatisme werd opgevat, werden binnengehaald. De heerser van Marokko, Moeley Ismael, kende de reputatie van Johan Willem van Ripperda, maar benoemde hem even goed graag tot grootvizier en liet later toe dat de Hollander, die zich naar het schijnt nooit tot de Islam bekeerd heet, de straten van Tetoean in beroering bracht door te verkondigen dat hij de laatste der profeten was, terwijl gewone, brave christenen om heel wat minder in de bagno's geworpen werden.

Het is ongelooflijk hoe in die naar verluid verlichte eeuw de duistere praktijken bloeiden en, vooral, heimelijk gewaardeerd werden. Regelrechte criminelen als de roverhoofdman Louis-Dominique de Cartouche werden in de populaire pers als volkshelden vereerd. In mijn moderne encyclopedie staat bij zijn naam droogjes vermeld: 'Fransmisdadiger. Geradbraakt.'

Maar in de achttiende eeuw deden heel wat bloemrijker verslagen van zijn leven de ronde, sappige werkjes waarin Cartouche zogenaamd als slecht voorbeeld werd getoond, hoewel het vanzelfsprekend ging om de aantrekkingskracht van zijn 'weergaloze misdryven', zoals ik ergens las - misdrijven die derhalve beschreven werden als waren het galanterieen en iedereen vond het op den duureen eer om door zo iemand beroofd te mogen worden. Zelfs zijn lijk werd beroemd. Het werd, onder enorme publieke belangstelling en a raison van een stuiver per persoon, dagenlang tentoongesteld. Sommige bedriegers hielden ware tournees, zoals de Wonderbaarlijke Genezer Cagliostro, die voorgaf zesduizend jaar oud te zijn en beweerde de dood te hebben overwonnen, en die in drukbezochte salons zijn leven- en doodshows opvoerde, ook hier te lande.

Het publiek liet graag zijn verveling met bedrog verdrijven. Terwijl uit historische studies het beeld oprijst van een studieuze burgerij die zich vlijtig wijdt aan de nieuwste ideeen en inzichten, kun je uit de voetnoten van diezelfde studies opmaken dat men met evenveel overgave en meer plezier de geschriften van en berichten over al die kwakzalvers, sterrenwichelaars, oplichters en avonturiers zat te lezen. De Memoires van Casanova zijn wereldberoemd geworden, maar ook bij ons werden meeslepende levensgeschiedenissen geschreven door lieden die voor het nageslacht te licht zijn evonden, maar die juist dankzij hun lichtheid de beweeglijkheid van het leven uit die vervlogen dagen behouden hebben. Ik noem hier de levensverhalen van Jacob Campo Weyerman en van Franciscus Lievens Kersteman, sterk geromantiseerd in schelmse trant, sterke verhalen dus, die echter heerlijk om te lezen zijn.

Kersteman was, in tegenstelling tot zijn vriend Jacob Campo Weyerman, geen sterke, persoonlijkheid. Weyerman was onverzoenlijk en dwingend van karakter, iemand dielak had aan alles en iedereen, Kersteman was veeleer een milde bonvivant die niet kon nalaten toe te geven aan zijn neiging tot gemakkelijke succesjes bij willige weduwen en andere goedgelovigen. Zijn levensinstelling was: “Men moet zig naar het wisselvallige beloop der wereldsche zaak schikken zo goed als men kan, want niemand kan het fortuin dwingen.” Een eufemisme, dat wel, maar zo zag hij het: het viel hem in de schoot, zowel de zorgen en de tegenspoedals het aangename dat zijn deel werd.

Jacob Campo Weyerman was een avonturier van een ander slag, een temperamentvolle en getalenteerde figuur die allang gerekend had moeten worden tot de Groten Van Zijn Tijd, al was het alleen maar om zijn onnavolgbare stijl en humor. Het is een genot om hem te citeren uit zijn zeer, zeer talrijke geschriften. Zoals dit adres aan zijn gegoede lezers: “Loop, loop, sterveling van vel en been, gedroogde hartstong, snyders el, wandelent kurk, behoeftige puthaap, omgekeerde kreef vol kontraweelde, heb je geld van noo, laat Uw neus munten, geen Ongaarsche dukaat zal ooit dat byster donkerbruinrood evenaaren.” Of zijn scabreuze 'sprookjes' die hij steevast vertelde in Den vrolyke Tuchtheer, een van zijn vele blaadjes, bijvoorbeeld, 'Den ontheupte Reu, en de beleedigte Fillis': “Een dorre reu, doch lekkerbek,- Wars van het garstig huuw'lyks spek,- Liep met een dolle kop in 't hondert quispelstaarten- En speelde met verboode kaarten.- Ten laatten lam, en 't hollen moe,- Kroop hy na de oude Fillis toe.” Maar de oude echtgenote hoeft de oude schuinsmarcheerder niet meer in het huwelijksbed, zeggende: “Het duyfje dat den room uw herfst liep trekkebekken,- Mag nu de tapte melk van uwe grysheyt lekken.” Dat is nog eens een moraal! Of zoals hij de gerespecteerde maar nogal brave Hollandsche Spektator van Justus van Effen aanviel, in een stijl die door zijn breedvoerige beeldspraak en merkwaardige preciseringen an Gogol doet denken: “Ey lieve zeg ons eens, geduchte Spektator, wat nut, wat vermaak vervat een verstaanbaar wekelyks schrift, wanneer deszelfs schryfwyze en stoffe zo leem en dof neerdalen op de bevatting der leezers, gelyk als een lap vermolsemt loot, die by een stormwind uyt den toren geschaakt, plompverlooren nedervalt voor de klompen eens boerekosters op een onbevloert kerkhof?” Het zijn dergelijke stilistische hoogstandjes die Weyerman tot de meest bewonderde, maar ook meest gevreesde en gehate, doch minst geloofde schrijver van zijn tijd maakte. Omdat hij zo goed schreef, werd hij - zo gaat het altijd - niet helemaal ernstig genomen. Net als een eeuw later Multatuli was hij te menselijk om onmiddellijk voor een Groot Man te worden aangezien.

Volgens zijn biograaf Kersteman lag het ook aan de schrijver zelf, die zich te veel had laten verleiden tot polemiseren over al te alledaagse za()ken in plaats van zich te wijden aan Grote Werken: een genie dat werd verbeuzeld in een te kleine omgeving. “Zonder twyfel had hy de Gelukkigste van zyn Eeuw geweest, byaldien hy zyne Natuurlyke Begaafdheden over zyne Gebreeken had doen Zegenpraalen.”

Onder dit motto zou de geschiedenis van de achttiende eeuw herschreven moeten worden, met op het voorste plan al diegenen wier talenten overschaduwd zijn door hun gebreken, want eerder dan door zijn daden wordt iemand mijns inziens gekenschetst door wat hij had willen en had zulledoen: in de mislukking, in het tekort toont zich de ware aard - althans een glimp daarvan. In het ontoereikende leer je een tijd kennen, niet door de paar dingetjes die toevallig wel zijn gelukt. Zoals Kersteman zijn vriend Campo beschreef, zo zouden wij die hele epoch moeten bekijken: 'een goed Raadgeever, een bekwaam Zeedemeester ter beschouwing, maar slegt ter navolging.' Met andere woorden: goedbedoeld en interessant, maar helaas, ondanks alle moeite, van geen enkel nut.