Novelle van H.C. ten Berge over schrijvers; Betrapt door een kraai

H.C. ten Berge: Een Italiaan in Zutphen. Uitg. Meulenhoff, 118 blz. Prijs (f) 24,90.

Ik kan me goed voorstellen hoe moeilijk het is voor een schrijver om afscheid te nemen van een romanfiguur. In zekere zin is het immers zijn eigen vlees en bloed dat achterblijft: een meestal geliefd, een enkele keer misschien gehaat, maar altijd met zorg omringd schepsel. Ik kan mij dus ook de behoefte voorstellen om zo'n geesteskind te laten herleven in een volgend boek.

In de nieuwe novelle van H.C. ten Berge, Een Italiaan in Zutphen, mogen wij een oude bekende begroeten. Hij heet Edgar Moortgat en is nog steeds schrijver. Net als in Het geheim van een opgewekt humeur (1986) is het tamelijk duister wat er in hem omgaat. Hij maakt, zoals zijn naam al suggereert, van zijn hart een moordkuil. Nu is dat voor een schrijver natuurlijk geen slechte eigenschap. De binnenvetter die zijn woorden wikt en weegt voordat hij ze uitspreekt is meestal interessanter dan de flapuit met het hart op de tong.

Toch is het ook niet zonder riciso om een oud personage in een nieuw verband onder te willen brengen. Het is in dit geval bij voorbeeld maar de vraag of Moortgat er erg op vooruit is gegaan. Vijf jaar geleden was hij nog de spil van een buitengewoon ingenieus, maar helder netwerk van verhalen in verhalen in verhalen over incest. Het geheim van een opgewekt humeur was een schrijversboek van het plezierige soort.

Moortgat hoefde zich van Ten Berge niet eindeloos over witte vellen te buigen of zich het hoofd te breken over poeticale kwesties. Hij mocht zijn wie hij was: een tweederangs schrijver met een groot relativeringsvermogen.

De herleefde Moortgat is ook een tweederangsschrijver die het niet al te hoog in de bol heeft. Hij moet het zien te stellen met een kaler, maar veel ondoorzichtiger arrangement. Het merkwaardige van Een Italiaan in Zutphen is namelijk dat het verhaal erg eenvoudig aandoet, maar zich helemaal niet zo eenvoudig laat begrijpen.

Nu heeft Ten Berge met deze behoefte aan duiding, met deze 'interpretatieziekte', zoals het in de novelle ergens genoemd wordt, maar weinig op. “Het gaat erom op weg te geraken, je ergens naar toe te kunnen bewegen zonder te weten waar het eindpunt zal zijn of hoe de conclusie zal luiden,” zo wordt de lezer al op de eerste bladzijde van de novelle te verstaan gegeven. Dit klinkt veel afschuwelijker dan het in de praktijk is, al blijft het altijd een beetje uitkijken met een verhaal, dat niet alleen naar iets daarbuiten, maar ook naar zichzelf verwijst.

Het probleem met deze novelle is niet zozeer dat het zicht op de werkelijkheid wordt verduisterd door de verbeelding, maar dat niet duidelijk wordt met wiens verbeelding we hier nu precies te maken hebben. Is het de Zutphense schrijver Moortgat die de touwtjes in handen heeft? Of is het de wereldberoemde Andrea Pasts, de Italiaan uit de titel, die zo verdacht veel op Umberto Eco lijkt? Of is het Ten Berge zelf?

Ik stel deze vraag met enige nadruk omdat ik graag zou weten wie van deze drie verantwoordelijk moet worden gesteld voor de betrekkelijke vormeloosheid van de novelle. Het zou Moortgat kunnen zijn, van wie meer dan eens wordt gezegd dat hij te opgewonden reageert op onverwachte gebeurtenissen, of Pasts met zijn opruiende ideeen over intutie en verbeelding. Maar evengoed kan het Ten Berge zelf zijn die de novelle uit de hand heeft laten lopen.

Na een ijselijk trage en saaie eerste helft raakt het verhaal in de tweede helft in een fikse stroomversnelling om zich aan het eind geheel los te zingen van tijd en ruimte. De ontknoping is even grotesk als verrassend. De Italiaan verlaat Zutphen als alpenkraai, 'kraa!' en 'krok!' roepend. Hoe mooi het slot ook is, het past niet helemaal bij de rest van het verhaal dat om zo te zeggen wat minder van de grond komt.

De verhouding tussen feit en fictie is in deze novelle niet helemaal in balans. Het meer avontuurlijke gedeelte van het verhaal laat erg lang op zich wachten. Eerst moet men zich door nogal beschrijvende passages heen zien te bijten over de kermis, de inventaris van Dokter Spitzners rariteitenkabinet en door behoorlijk taaie, want theoretische conversaties over en met de geleerde Italiaanse schrijver. De liefhebbers van wat hier schamper 'faciele boeken' worden genoemd, zouden er wel eens door kunnen worden afgeschrikt. Dat zou jammer zijn, want Een Italiaan in Zutphen behoort veel meer tot de toegankelijke, dan tot de hermetische literatuur.

GEESTIG

De aantrekkelijkheid van Het geheim van een opgewekt humeur bestond voor een belangrijk deel in de luchtige en onthechte toon die Ten Berge een roman lang wist vol te houden. Een Italiaan in Zutphen klinkt wat zuiniger en hier en daar zelfs wat verongelijkt, maar gelukkig blijkt het opgewekte humeur van Edgar Moortgat toch nog niet helemaal uitgewerkt te zijn.

Mooi en geestig zijn de momenten waarop hij even opschrikt uit zijn hooggespannen verbeelding, en zich dan betrapt voelt door wat er zich intussen om hem heen en in het echt heeft afgespeeld. Hij beseft hoezeer anderen hem benvloeden. Tot in zijn dromen wordt hij achtervolgd door de Italiaanse schrijver, die hem met nuttige schrijfadviezen bestookt. “De gedachte dat het leven zich buiten mij om had voltrokken, vervulde me als zo vaak met een zekere grimmigheid. Terwijl ik aan de schrijftafel bij een glas wijn in slaap was gesukkeld en door de droomgestalte van Pasts werd doorgezaagd over modellen om een verhaal te vervolgen, voerde deze in levenden lijve een gedurfde operatie in het hart van de stad uit. Het was om je de haren uit het hoofd te trekken.”

Het aardige van deze Moortgat is dat hij zo'n typisch Nederlandse schrijver is. Hij laat zich leiden door zijn gezond verstand, maar heeft tegelijk een hang naar opvlucht, naar 'extravagantie, hartstocht en het grote gebaar'. Hij is zich bewust van zijn creatieve onbeduidendheid, maar ook van de macht van de verbeelding. Het is verleidelijk om te denken dat hij het is die de Italiaanse schrijver niet alleen aanzet tot de brutale diefstal van zeldzame boeken, maar ook tot een meer of minder smadelijke aftocht als kraai. Maar misschien is het juister om te veronderstellen dat de Italiaan letterlijk en figuurlijk zijn pet te boven gaat.

“Ik stel me ertegen teweer dat de literatuur getrivialiseerd wordt. De literatuuropvatting van sommige jonge schrijvers is mij niet serieus genoeg. Van dat gespeelde lichtvoetige en vlotte heb ik nogal een afkeer. Lichtvoetigheid is alleen te tolereren als er ernst aan ten grondslag ligt, en kennis van zaken. Het is een misvatting dat literatuur wild en lawaaierig zou moeten zijn en dat Jan Cremer maar weer eens met zijn motorfiets moet komen binnenrijden. De jongste generatie koketteert graag met dat branie-achtige. Bij de Maximalen, Bril en Van Weelden en Niemoller zie je dat anti-literaire, dat je in de jaren zeventig in Propria-Cures-kringen had.