'Nee Frits, je ziet, we zijn je niet vergeten'

Met Frits van der Molen ben ik, als ik mij goed herinner, een keer op stap geweest. In een bus vol journalisten, op weg naar Valkenburg, waar een boek over de wijnen van de Pomerol zou worden gepresenteerd. De uitgever had ons beloofd dat na afloop van de plechtigheid een exquise maaltijd zou worden geserveerd, die natuurlijk zou worden omspoeld door... En daarna werden wij geacht onze lezers te vertellen hoe leerzaam dat boek was en hoe excellent de betreffende wijnen hadden gesmaakt.

Dat laatste was zeker waar. Bij elke der vele gangen werd weer een nieuwe variant geschonken. Mondjesmaat, want de wijnen waren aan de prijzige kant. Misprijzend zag Van der Molen hoe hem de volgende halve vingerhoed werd geserveerd. Hij richtte zich tot het bedienend personeel en sprak met gedragen stem: “Ober, mag ik wat meer? Ik ben al vierenzeventig”.

Deze week is, acht jaar na zijn dood, het boek Van der Molen is de naam - Een hommage aan de journalist Frits van der Molen verschenen. Het werd gepresenteerd in de Koningshut, de drenkplaats van het meer toffe deel der Amsterdamse uitgaanswereld. “Een stoel in een taveerne is de troon van het menselijk geluk”, filosofeerde feestredenaar Peter Knegtjes. “Vandaar een woord van dank aan de firma's Brand en Heineken, die dit boek zo genereus hebben gesponsord. Nee, Frits, je ziet, we zijn je niet vergeten. In feite gaat er geen dag voorbij waarop wij niet aan je denken.”

Er waren nogal wat - gepensioneerde en bijna gepensioneerde - Elsevierredacteuren aanwezig, want dit weekblad was jarenlang Van der Molens publicaire thuishaven. Het was in zijn tijd een nogal merkwaardige periodiek, met nauwelijks gemarkeerde grenzen tussen redactie en commercie. Ik vertrouwde nooit het quartzhorloge dat in een reportage of politiek commentaar werd aangeprezen, want je kon er zeker van zijn dat het uurwerk inmiddels aan de pols van de betreffende verslaggever bungelde. De aanvoerder van de roversbende was in die tijd dr.

F.A. - 'mr. Schnabbel' - Hoogendijk, wiens onbekrompen kjk op de ethische kanten van zijn vak hem uiteindelijk zijn betrekking van hoofdredacteur zou kosten. Hij was nog net in functie toen Van der Molen stierf. Natuurlijk tijdens een snoepreisje. Hoogendijks in memoriam illustreerde andermaal de losse zeden op zijn redactie: “In de reiswereld was hij een niet weg te denken figuur. Toen hij 65 jaar werd, bood Neckermann Frits heel genereus aan de rest van zijn leven gratis met deze touroperator te reizen waarheen hij wilde. Een aanbod waarvan Frits veel gebruik heeft gemaakt”.

Het voerde Van der Molen naar Sri Lanka, Dubai, Mexico, Israel, Jamaica, Las Vegas, Kenia, Hongkong en de Virgin Islands. Daar werd uitbundig getafeld, gedronken en geslapen, resulterend in een hooggestemd verslag waarin niet werd verzuimd te vermelden welke firma voor al dat moois verantwoordelijk was.

Bij elke normale krant kan zoiets niet. Bij Elsevier kon daarentegen alles.

Totdat (een deel van) de redactie het niet meer pikte. Van der Molen heeft zich in die tijd zorgvuldig buiten de stammenstrijd gehouden. Hij was inmiddels te oud voor langademige discussies over de ethiek van het journalistenvak.

Liet hij zich eigenlijk niet gewoon voor het karretje van het bedrijfsleven spannen? vroeg de Volkskrant hem. Nee, dat vond Van der Molen eigenlijk niet. Neckermann bewees hem een dienst en hij honoreerde dat, als heren onder elkaar, met een tegendienst. “Kijk, op de redactie schrapten ze de naam Neckermann soms wel uit zo'n stuk; dat was verdomd vervelend, eigenlijk.” Maar van versieren was geen sprake, vond hij.

“Neu, zo moet je dat niet zien. Wordt 't wel een leuk stuk, eigenlijk?”

Op zijn begrafenis werd gewaagd van 'een grenzeloos nieuwsgierig journalist'. Waar Frits van der Molen zo nieuwsgierig naar was heeft hij altijd zorgvuldig geheim gehouden. Naar de belettering van de spijskaart, waarschijnlijk. In het voorwoord van het postume liber amicorum wordt hij, zonder enige ironie, vergeleken met Ernest Hemingway, Graham Greene, Brendan Behan en Johann Wolfgang von Goethe. Wat hij eigenlijk geschreven heeft, laten de samenstellers in het midden. Het is een en al halfkomische beschrijving van de 'appetijtelijke openingen, perslunches, proeverijen en reisjes naar oorden waar het goed toeven, eten en drinken is'.

Hij is een merkwaardig soort journalist geweest. Over cultuur of politiek heeft hij zijn laatste decennia niet of nauwelijks geschreven. Ja, hij schreef graag over casino's, een milieu dat hij goed kende. En hij had zichzelf gespecialiseerd in het reilen en zeile van de mafia. Maar voor de rest interesseerde hij zich blijkbaar alleen voor 'la bonne table' en de bijbehorende 'sympathieke slok'.

“Meneer Van der Molen, wat zou er op uw grafstaan moeten staan?” vroeg Jan Lenferink.

“Met waarde genoten...”, antwoordde Frits van der Molen. “Hebt u..?”

“Ik wou nog iets tegen u zeggen. Ik weet precies wanneer ik dood ga.”

“Ook een mop?” “Ik heb namelijk...”, hernam de genterviewde. “Hallo! Een beetje beschaafd blijven... Moet mogelijk zijn. Mijn chef van de redctie binnenland heeft mijn necrologie geschreven. Die luidt als volgt: Toch nog onverwacht is op 94-jarige leeftijd, alhoewel zijn weinige vrienden het reeds 94 jaar hebben zien aankomen, overleden de Amsterdamse journalist Frits van der Molen...”

“Ja, leuk”, zei Lenferink. Ik liep Frits van der Molen wel eens tegen het lijf, meestal in het cafe, natuurlijk. Na drie glaasjes haalde hij dan het betreffende in memoriam uit de binnenzak en begon het integraal voor te leen: Aan de groeve werd achtereenvolgens het woord gevoerd door Freddy Heineken, Drs. Bols, mevrouw Tip van Bootz, de heer Henkes en de heer Brand... Vervolgens vertelde hij de nieuwste Witz: “Ken je die van die twee Chinezen die...” En daarna nog een: “Twee augurken komen elkaar tegen in de Kalverstraat. Zegt de ene augurk tegen de ander...”

Het was werkelijk een aardige kerel, maar een normaal woord viel er eigenlijk niet met hem te wisselen.