Nederland moet weer risico's durven nemen

Hoe groot is de vitaliteit van de Nederlandse economie? Deze vraag staat centraal in het Nationale Economie-Debat, dat morgen in NRC Handelsblad begint met een enquete waaraan iedereen kan deelnemen. Als aanloop naar de enquete publiceert NRC Handelsblad een essay over de vitaliteit van Nederland, geschreven door dr. A.H.G. Rinnooy Kan, voorzitter van de werkgeversorganisatie VNO en tot voor kot hoogleraar bedrijfseconometrie aan de Erasmus Universiteit.

De vitaliteit van een economie laat zich niet eenvoudig meten.

Het begrip wekt associaties op met daadkracht en energie: een vitale jongere staat te popelen om aan de slag te gaan en een vitale grijsaard wordt geacht nog tt verrassende inspanningen in staat te zijn.

In tijden van voorspoed is vitaliteit geen bijzondere verdienste, maar in tijden van tegenspoed of snelle veranderingen wordt het een veelgevraagde en als zodanig des te meer te waarderen eigenschap. De belangstelling voor de vitaliteit van de Nederlandse economie laat zich alleen al daaruit verklaren. Wij leven nu eenmaal in interessante tijden.

Economische vitaliteit laat zich het beste definieren als het vermogen tot gezonde groei. Voor ondernemingen is dat het vermogen o adequaat te reageren op kansen en bedreigingen in de markt. Voor een nationale economie verwijst het naar het vermogen om welvaart en welzijn voor eenieder veilig te stellen en geleidelijk te vermeerderen. Vitaliteit impliceert het vermogen tot vernieuwing, tot effectieve concurrentie.

Maar het is meer dan een vermogen tot groei alleen: als er bij voorbeeld sprake is van ernstige milieuvervuiling of van grote aantallen onvrijwillige inactieven, dan is de groei nietgezond te noemen en zijn er redenen te twijfelen aan de economische vitaliteit.

Hoe is het gesteld met de vitaliteit van de Nederlandse economie?

Elk antwoord op die vraag begint met de observatie dat vitaliteit een relatieve grootheid is die slechts is vast te stellen ten opzichte van de concurrentie. Het ligt dan ook voor de hand aan het oordeel van buitenlandse waarnemers over Nederland een bijzonder gewicht toe te kenen.

Het beeld is gemengd. In de jaren zeventig heeft Nederland het internationale jargon verrijkt met uitdrukkingen als 'Dutch disease' en 'Hollanditis', en aan die negatieve beeldvorming zijn wij nog steeds niet geheel ontsnapt. Sommige buitenlandse waarnemers ervaren de Nederlandse economie als degelijk maar niet erg beweeglijk; dat is bij voorbeeld een korte samenvatting van het jaarlijkse oordeel dat door het World Economic Forum wordt uitgesproken.

Dat neemt niet weg dat Nedrland op de jaarlijkse rangorde naar concurrentievermogen onlangs oprukte van de zesde naar de zevende plaats. Wie de wekelijkse pagina met economische statistieken in de Engelse 'Economist' bestudeert, krijgt een nog vrolijker gevoel: de Nederlandse score is over de hele linie indrukwekkend en moet het alleen tegen die van Japan duidelijk afleggen.

Het buitenlandseoordeel over de vitaliteit van de Nederlandse economie is ook op andere manieren te meten; aan het buitenlandse investeringsgedrag in Nederland bij voorbeeld.

Ook dan is het beeld bepaald niet slecht te noemen. Het buitenland investeert al lang grote bedragen in de Nederlandse economie, en de laatste jaren nemen die bedragen nog eens fors toe. In de periode van 1988 tot 1990 zijn zij met 280 procent gestegen ten opzichte van de periode van 1981 tot 1987. Vooral opvallend is de grote belangstelling van Japanse investeerders voor Nederland, een belangstel(JHling die door het Cresson-effect alleen maar zal toenemen.

Natuurlijk staat tegenover deze buitenlandse investeringen in Nederland een forse investeringsstroom uit Nederland naar het buitenland. Ook deze is de laatste jaren behoorlijk toegenomen, al is de groei van honderd procent aanzienlijk bescheidener dan het hiervoor genoemde percentage van 280. Een besluit tot een investering in het buitenland kan duiden op een gezonde internationale expansiedrift. Maar het kn ook wijzen op een gebrek aan mogelijkheden in eigen land. Als dat zo is - en ook het grote Nederlandse spaaroverschot suggereert dat - dan moet de vitaliteitsscore naar beneden worden bijgesteld. Spaarzaamheid is prachtig, maar als de besparingen niet voluit in eigen land worden opgenomen terwijl daaraan op grond van onze arbeidsmarktsituatie wel grote behoefte bestaat, dan schort er iets aan het investeringsklimaat en daarmee aan het vermogen tot gezonde groei.

Daaraan moet worden toegevoegd dat de overheid an de investeringen in Nederland de laatste jaren een wel allerberoerdste bijdrage levert. Onder financiele druk zijn met name de investeringen in de infrastructuur ver achtergebleven bij de eisen die gesteld mogen worden vanuit een evenwichtige economische ontwikkeling. Er is sprake van een achterstand in de orde van een miljard gulden per jaar, en daarmee komt de vitaliteitsscore vanuit investeringsperspectief nog verder onder druk te staan De allersimpelste vitaliteitsindex is misschien wel die van de arbeidsproduktiviteit. De startpositie voor Nederland is daar gunstig: onze produktiviteit behoort al vele jaren tot de hoogste in de wereld. Daarin weerspiegelt zich onder meer de uitzonderlijke energie waarmee in de na-oorlogse jaren de Nederlandse economie weer op poten is gezet.

Vanaf het midden van de jaren zestig leverde de exploitatie van de aardgasreserves een extra stimulans. Dat positieve beeld verslechtert als gekeken wordt naar de groei van de arbeidsproduktiviteit in de laatste jaren. Dan loopt Nederland niet meer voorop, maar behoort het tot de middenmoot in de OESO. En dan moet daarbij nog bedacht worden dat die produktiviteit geflatteerd wordt doordat grote aantallen minder produktieve werknemers uit het arbeidsproces zijn verdwenen via regelingen voor werkloosheid of arbeidsongeschiktheid.

Natuurlijk, onze lagere groei is wellicht voor een deel het gevolg van de bewust nagestreefde loonkostenmatiging - en misschien zijn er nog wel andere geruststellende verklaringen te bedenken. Maar wie twijfelen wil aan de Nederlandse vitaliteit, kan toch met enig recht wijzen op die produktiviteitsontwikkeling.

Als vitaliteit geassocieerd wordt met het vermogen tot vernieuwing, dan ligt het voor de hand de vitaliteit van een economie ook te beoordelen naar traditionele indicatoren van innovatiekracht. En opnieuw is het beeld dan gemengd. Als het gaat om nationale investeringen in speur- en ontwikkelingswerk, dan is de Nederlandse inzet naar internationale norm laag. Dat blijft zo, zelfs al wordt de berekening gecorrigeerd voor de beperkte industriele traditie die Nederland nu eenmaal kent. En het wordt alleen nog erger als de rol van de overheid op dit terrein beschouwd wordt, zeker nu de toch al magere overheidsbijdrage aan technologische innovatie verder teruggedraaid dreigt te worden.(P)Echte pessimisten kunnen hier hun hart ophalen: wie onderschrijft dat gezonde groei alleen maar mogelijk is in een gezond industrieel klimaat, kan zich over de economische toekomst van Nederland met recht enige zorgen maken. Maar wie vooral een toekomst ziet voor Nederland als dienstverleningsland, kan weer wat vrolijker worden en tevreden vaststellen dat het buitenland een gunstig oordeel uitspreekt over de flexibiliteit van de Nederlandse fanciele markt en over de huidige kwaliteit van Nederland als distributieland.

Een interessante maatstaf voor het vernieuwende vermogen van een economie is natuurlijk het aantal nieuwe ondernemingen per jaar dat jaarlijks van de grond komt. Met een geboortecijfer van drie procent scoort Nederland niet bijzonder hoog. Het is verleidelijk om de verklaring daarvoor te zoeken in excessieve regelgeving of in ongunstige fiscale omstandigheden. Het weer opkomende pleidooi voor een langdurige belastingvrijstelling of andere fiscale faciliteitevoor starters wijst naar de laatste mogelijkheid. Maar dat is wel erg eenvoudig geredeneerd. Zo ongunstig voor starters is het Nederlandse belastingstelsel nu ook weer niet.

Bovendien behoort de Nederlandse venture-capital industrie tot de beste in Europa: wie risicovolle ondernemers-initiatieven gefinancieerd wil krijgen, kan nergens in continentaal Europa beter terecht. Ook de Nederlandse Parallelmarkt is ondanks alles nog steeds een van dbeste ter wereld voor het aantrekken van risicodragend vermogen door kleine ondernemingen; dat hebben vele voormalige familiebedrijven de afgelopen jaren kunnen constateren. Waar het gaat om management buy outs en succesvol turn around management slaat Nederland alweer geen gek figuur. Wie zich zorgen maakt over het 'geboortecijfer'

van drie procent zal de verklaring mede elders moeten zoeken. Een laatste maatstaf voor vitaliteit zou gezocht kunnen worden in het functioneren van de Nederlandse arbeidsmarkt. Trouwe lezers van de WRR-rapporten zinkt de moed dan misschien wel definitief in de schoenen. De terechte klachten over de geringe participatiegraad worden de laatste tijd breed uitgemeten, en spitsen zich natuurlijk vooral toe op de bedroevende cijfers over ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Maar daarmee is niet het gehele verhaal verteld: als Nederlanders werken, dan leveren zij ook topprestaties en hoeven zij als werknemers naar internationaal oordeel slehts de Japanners en de Zwitsers te laten voorgaan.

Alweer een gemengd beeld, met redenen tot opgewektheid en redenen tot bezorgdheid.

Zo komt economische vitaliteit naar voren als een lastig vast te prikken kenmerk: geen natuurgegeven, maar de vrucht van de inspanningen van al degenen die bij het economisch proces betrokken zijn. Hun individuele vitaliteit zal op de lange duur doorslaggevend zijn. Maar onderkend moet worden dat die vitaliteit van individuein de tussentijd behoorlijk kan worden afgeremd door al te weinig vitale instituties. Misschien schuilt daarin een wezenlijk probleem van Nederland. Het na-oorlogse proces van ontzuiling, individualisering en internationalisering is nog lang niet volledig institutioneel verwerkt. Dat heeft geleid tot een besluitvormingsklimaat waarin lastige keuzes voortdurend worden uitgesteld, en tot een bestuursklimaat waarin op een voor de bureaucratie typerende wijze uiterst traageleerd wordt van historische fouten.

Nu is trage terugkoppeling voor een organisatie nog wel even vol te houden, zeker als er - zoals bij de overheid - geen sprake is van enige externe concurrentie. Maar vroeger of later komt het uur van de waarheid. Voor Nederland zal dat het geval zijn als de Europese grenzen verdwijnen en ons land als vestigingsplaats moet concurreren met onze buren, in een strijd waarin effectief overheidsbeleieen belangrijk concurrentiewapen zal zijn.

Wie gelooft in concurrentie als drukmiddel, kan deze ontwikkeling alleen maar toejuichen. De hoop is gerechtvaardigd dat die druk resulteert in een gerevitaliseerde overheid, een overheid die vooral bescheiden en betrouwbaar zal moeten zijn. Bescheiden in omvang, maar ook bescheiden in ambitie: de centrale bestuurbaarheid van een open economie is beperkt gebleken, en de politici van de jaren negentig zullen bereid moeten zijn de al eerder ingezette terugtocht van de hoge idealen uit dearen zeventig nog even te continueren.

Dat betekent noch dat er centraal niets meer te regelen zal zijn door de overheid, noch dat er niets meer af te spreken zal zijn tussen de overheid en de sociale partners. Maar die centrale discussies zullen een ander karakter moeten krijgen.

Het zullen vooral bondgenootschappelijke besprekingen moeten zijn die zich richten op de afstemming van tactiek en strategie op het Europese economische slagveld, en niet pretentie hebben om Nederland effectief af te schermen voor de wetmatigheden van de Europese economische markt.

Die bescheidenheid van de overheid, in combinatie met de betrouwbaarheid zonder welke een effectief Europees bondgenootschap ondenkbaar is, zou ook tot uiting moeten komen in een aangepaste overheidsorganisatie, waarin sprake is van verregaande verzelfstandiging van uitvoerende overheidsdiensten. Door de verzelfstandigde onderdelen een grote mate van beleidsvrijheid te gunnen en met hen af t rekenen op resultaten, kan niet alleen de efficiency en de bestuurskracht van de overheid, maar ook de aantrekkelijkheid van het overheidswerk en daarmee de aantrekkelijkheid van het ambtenaarschap aanmerkelijk toenemen. Dat laatste zou ook het geval moeten zijn voor de kleine centrale 'civil service' die overblijft. De 'civil service' krijgt de bescheiden, maar belangrijke taak om het Nederlandse parlement te voorzien van voorstellen voor glbale regelgeving. Dat moet een regelgeving zijn die - anders dan nu - maximaal ruimte laat voor individuele materiele prikkels ter bevordering van gewenst gedrag. In een individualiserende samenleving ligt het sturen op zelfdiscipline en eigen verantwoordelijkheid voor de hand, en gaat het niet aan wanhopig te blijven verbouwen aan de doolhoven van de afgedwongen solidariteit.

De zorg wordt wel eens geuit dat een bescheiden overheid al te veel ruimte zou overlaten voor d veel gevreesde, berekenende burger, die zijn gedrag baseert op een kille afweging van persoonlijke voor- en nadelen. Maar berekendheid hoeft op zichzelf geen ramp te zijn, en is bovendien in een individualiserende samenleving ook niet effectief tegen te houden. Het spookbeeld is niet de burger die zijn gedrag bepaalt door een afweging van kosten, baten en randvoorwaarden - wat is daar verkeerd aan? Het wordt pas zorgwekkend als die afweging plaatsheeft op benepen en kortzichtige wize, in maatschappelijke bekrompenheid en daarenboven in grote benauwdheid voor wat er achter de heg zou kunnen zitten te loeren.

Ook in dat laatste schuilt wellicht een structureel probleem. Nederland is van oudsher een voorzichtig en als het even kan liever risicomijdend land. Ons riante sociale zekerheidsstelsel en onze royale pensioenvoorzieningen getuigen daarvan. Het kan geen toeval zijn dat Nederland het enige land ter wereld is, waar vrijwel onbeperkt herkansing wordt geboden voor tentamens en examens. Elke zwakte is vergeeflijk behalve een: wie zondigt tegen het grote gebod van de voorzichtigheid kan op weinig mededogen rekenen. Wordt in de Verenigde Staten een faillissement gemakkelijk vergeven, in Nederland bestaat weinig sympathie voor de ondernemer die grote risico's neemt, grote fouten maakt en daarvan dan probeert te leren voor een nieuwe start.

Een Nederland met herwonneninstitutionele vitaliteit en met hernieuwde waardering voor risicobereide individuen hoeft de Europese concurrentieslag niet te vrezen. In dat Nederland kan de dynamiek wezenlijk toenemen, kan het investeringsklimaat verbeteren, kan de weg naar de arbeidsmarkt verregaand verbreed worden en kan economische en technische vernieuwing een maximale kans krijgen.