Harde optreden van Indonesische autoriteiten zet kwaad bloed bij bevolking; Verzet Atjeh begint terrein te verliezen

BANDA ATJEH, 14 JUNI. “Wat zou u doen als u in Jakarta aan de touwtjes trok? Dit land heeft bloed, zweet en tranen geplengd voor zijn staatkundige eenheid en dan steekt in Atjeh het separatisme de kop weer op”. De buitenlandse expert, die al jaren werkzaam is in Indonesie's westelijkste provincie, toont begrip voor het dilemma van de centrale regering. Maar hij maakt zich oo zorgen over de Atjehse boeren, zijn doelgroep. Uit het veld komen berichten dat Indonesische commando's keihard optreden om de verzetsbeweging Vrij Atjeh te isoleren van zijn voedselbron in de dessa's.

Vrij Atjeh deed eind 1989 weer van zich spreken. Groepjes van 30 tot 40 gewapende mannen overvielen politieposten en wapendepots van het leger en pleegden een reeks aanslagen op Javaanse plantage-arbeiders. Politie, militairen en transmigrantenbelichamen in hun ogen de 'neo-koloniale politiek van Java'. In zijn sektarische bevlogenheid kiest het verzet ook minder duidelijke doelwitten: binnen acht maanden stak het 's nachts 19 scholen in brand.

De harde kern van het guerrillaleger, dat naar schatting 1.000 man sterk is, zijn leden van de Di Tiro-clan uit het district Pidie - verwanten van het Atjehse 'staatshoofd in ballingschap' Hasan Di Tiro - en fanatieke teungku, religieuze notabelen die van Atjeh een islamitische staat willen maken.

Hun rekruten zijn gedeserteerde soldaten, werkloze jongeren en landloze boerenzoons. Die vaak niet kunnen lezen en schrijven.

Di Tiro's mannen kunnen leden dankzij landschaarste, werkloosheid en slecht onderwijs, de zwakke plekken in Atjehs ontwikkeling.

Een enkele guerrillastrijder kreeg een militaire training in Libie. Dat land verstrekt beurzen aan aspirant-schriftgeleerden uit Atjeh, die in Tripoli voortgezette Koran-studies volgen. Na voltooiing van hun opleiding zijn sommigen door Libie aangeworven voor de oorlog in de Afrikaanse staat Tsjaad.

Een doctorandus in de godgeleerdheid uit Banda Atjeh vertelt: “Ik kreeg een zware militaire training van een jaar. Libie stelde de faciliteiten beschikbaar, maar de instructeurs waren buitenlanders. Samen met andere Atjehers heb ik een tijd in Tsjaad gevochten”.

De vuurwapens van de guerrillastrijders zijn hoofdzakelijk buitgemaakt in Atjeh zelf, maar een deel van de ammunitie en handgranaten is gekocht in Thailand en wordt via Vrij Atjeh-strijders in Maleisie verscheept naar de Noordsumatraanse haven Medan.

In juli vorig jaar besloot Jakarta in te grijpen. Berichten over desertie hadden het vertrouwen in het plaatselijke garnizoen ondermijnd en de stroom Javaanse vluchtelingen uit Atjeh bedreigde de continuteit van het transmigratie-programma. Twee bataljons van de elite-eenheid Kopassus (de afkorting staat voor Eenheid Spe(JHciale Troepen) werden overgevlogen naar Medan vanwaar ze werden ingezet in Atjeh.

Binnen enkele weken werden langs alle doorgaande wegen in het noordoosten van Atjeh versperringen opgeworpen, bemand met stevige, kortgeknipte Javanen en Batakkers (de erfvijanden van de Atjehers), met de rode baretten van Kopassus. Auto's werden doorzocht, passagiersbussen uitgekamd. Aan de lopen van de M-16 machineistolen, die door de portierraampjes staken, zaten rode strikjes.

De sterkte van de ingevlogen troepen is intussen opgevoerd tot 7.500 man, maar de meeste wegversperringen zijn opgeheven.

Overdag zijn er geen controles meer. Het operatieterrein van Vrij Atjeh is de laatste maanden verengd tot het grensgebied van de districten Pidie en Noord-Atjeh. Na zonsondergang worden passanten nog steeds gecontroleerd in de buurt van de kustplaats Samalanga, waar buitenlanders liever niet komen. De rode baretten blijven overdag in de kazernes en rukken alleen 's avonds uit. Hun tactiek: de Vrij Atjeh-strijders opjagen en isoleren.

's Avonds omsingelen commando's dorpen waar volgens hun inlichtingen Vrij Atjeh-strijders fourageren of zich schuilhouden. Zij hebben lijsten met namen en vaak vage foto's bij zich. De dessa-bevolking wordt verzameld op de markt en de commandant wijst een willekeurige dorpeling aan. Die moet de schuilplaats of woning van de gezochte bekendmaken. Doet hij dat niet - of weet hij het niet - dan wordt hij meegenomen en wordt zijn huis in brand gestoken.

Op 20 maart verklaarde majoor-generaal Pramono, commandant van het militaire district Noord-Sumatra: “De GPK in Atjeh is vernietigd. De leiders staan onder arrest en komen voor de rechter”. GPK is de Indonesische afkorting voor 'Bende van onruststokers', de officiele term voor separatistische groeperingen. Hoewel nog op 21 mei vuurcontact werd gemeld tussen leger en verzet, is Vrij Atjeh op de terugtocht. De vraag is alleen wat er met de krijgsgevangenen gebeurt.

In november liet Pramono zich in een interview met het weekblad Tempo ontvallen dat 'op elk verdacht individu wordt geschoten'. Kapitein Bayu, commandant van een commando-eenheid in Atjeh, zei voor een dorpsvergadering in Rantau Panjang dat zijn mannen “zich niet behoeven te storen aan de mensenrechten”. Hij kreeg zijn instructies rechtstreeks van “het centrum” en de regionale commandant had “in deze geen bevoegdheid”. Misschien waren dit slechts dreigementen, maar het heeft er alle schijn van dat ze ook zijn uitgevoerd.

In de laatste week van april en de eerste tien dagen van mei vonden boeren in Pidie in hun sawah's dagelijks vijf tot tien dode lichamen met kogelgaten in het hoofd. Journalisten van Tempo zagen in het grensgebied van Atjeh en Noord-Sumatra lijken met doorboorde schedels en samengebonden handen. In de buurt van het Oost-Atjehse Langsa werd een massagraf aangetroffen met 200 lichamen.(EPEnkele dagen voor het einde van de islamitische vasten, in de tweede week van april, werden in Medan en Langsa zo'n 200 gevangenen vrijgelaten.

Eenmaal in hun dessa's werden ze opgenomen in de nieuwe 'militie voor dorpsbeveiliging'. Slechts uitgerust met eigen kapmessen moeten zij onder begeleiding van militairen de bergen in om 'onruststokers' op te sporen.

Ook de islamitische schriftgeleerden worden ingeschakeld bij de isolering van Vrij Atjeh. Op 14 januari tekenden de voorziter van de Atjehse Raad van Ulama's, A. Hasjmy, en de Atjehse politiechef kolonel Ali Talha een overeenkomst, waarin de ulama's steun toezeggen bij 'de handhaving van rust en orde' in de provincie.

Sindsdien hangen er op de markten in Pidie spandoeken waarop in groene letters (de kleur van de islam) staat: “GPK - verrader en bedrieger van het volk” en “De gehele bevolking van Pidie is nu bereid de GPK te vernietigen”. Hoewel de wens hier waarschijnljk de vader van de gedachte is, zijn er tekenen dat dessa-bewoners het beu zijn in de vuurlinie te liggen. Vorige week meldde een lokale krant dat dorpelingen twee 'Libiers' die om voedsel vroegen hebben gelyncht.

Tot dusverre zijn alleen sympathisanten, geen guerrillastrijders voor het gerecht gebracht. De reeks processen tegen enkele tientallen 'subversieven' begon medio maart voor drie districtsrechtbanken in Atjeh. Onder de beklaagden waren twee universitaire docenten, ee regionaal parlementslid en een gepensioneerde politieman. Zij werden ervan beschuldigd geld te hebben ingezameld voor de GPK, contacten te hebben onderhouden tussen gevangen GPK'ers en de guerrilla of vuurwapens te hebben ontvreemd. Geen van hen werd actieve deelname aan de gewapende strijd ten laste gelegd.

De verdedigers zijn allen onervaren advocaten, aangewezen door de president van de rechtbank, op voorspraak van het litaire commando in Banda Atjeh. Zij moeten binnen de termen van de aanklacht blijven, pleiten slechts 'berouw' en vragen 'clementie'. Het Instituut voor Rechtshulp (LBH) in Medan heeft tot dusverre geen toestemming gekregen voor de terechtstaande Atjehers te pleiten. Een docent economie aan de Universiteit van Banda Atjeh, Nurdin Abdul Rahman (41), werd veroordeeld tot negen jaar wegens een schenking van 60 gulden aan de GPK en een ontmoeting met GPK-strijders die zich schuilhouden in Maleisie.

Jakarta's shock-therapie roept ook weerzin op bij Atjehers die voordien geen sympathie konden opbrengen voor het verzet. Het middel zou wel eens erger kunnen blijken dan de kwaal.

Inheemse bestuurders en Westerse ontwikkelingswerkers in Atjeh vinden dat deze vanouds rebelse provincie alleen met vreedzame middelen - welvaartsverhoging, onderwijs - kan worden gepacificeerd. Maar dat kost tijd en het verzet is van mening dat de wapens de kortste weg naar een betere toekomst wijzen Jakarta heeft besloten die weg zonder pardon af te snijden.