Gesprek met P.M. Reinders; Het is een godswonder dat ik nog Nederlands spreek

P.M. Reinders vindt zichzelf niet geschikt om genterviewd worden, maar dit jaar is hij 25 jaar literatuurcriticus en het moest er maar eens van komen. Reinders is emeritus-hoogleraar Nederlands in Londen, noemt A.F.Th. van der Heijden de boeiendste schrijver van nu en is zich niet bewust van een richtingenstrijd onder recensenten. “O ja, hoe dan? En tussen wie? Nee, daar heb ik hier nooit iets mee te maken gehad.”

Professor Reinder P. Meijer, emeritus te Londen, lijkt even graag niet genterviewd te willen worden als zijn echtgenote wil dat dat wel gebeurt. Edith Meijer is het tegendeel van een pushy type, maar nu er een aanleiding is zegt ze het wel leuk te vinden dat de lezers van NRC Handelsblad na 25 jaar recensies van P.M. Reinders eindelijk te weten komen wie er achter dat pseudoniem schuil gaat.

“Maar ik ben helemaal niet goed in genterviewd worden,” klaagt Meijer. En als dat niet helpt: “Maar waarom dan eigenlijk?”

Het antwoord op die vraag ligt besloten in de onderscheiding die deze Neerlandicus-in-den-vreemde in mei in ontvangst mocht nemen op de Nederlandse ambassade in Londen. Als dank voor zijn verdiensten bij het opbouwen van het grootste centrum voor Neerlandistiek in de Engels-sprekende wereld, dat aan het University College in Londen, kreeg Meijer het eerste en enige Honorary Research Fellowship van het Department of Dutch aan die universiteit aangeboden. De hoogleraar kreeg bij die gelegenheid ook een feestbundel uitgereikt (Standing Clear, A Festschrift for Reinder P Meijer), waarin collega's, voormalige studenten en medewerkers in studies blijk geven van het gehalte van hun opleiding en opleider.

“Dit is het geschenk waarvan elke academicus droomt,” bedankte Meijer voor de verrassing. “Een boek, met je naam erop, dat je zelf niet hebt hoeven schrijven. Dit is het grootste geluk.”

Die koele ironie is kenmerkend voor de afstandelijke manier waarop de hoogleraar-criticus zich in het dagelijks verkeer met anderen pleegt uit te drukken. Lange pauze, afgewende blik en dan een zinnetje van weinig woorden, maar met veel betekenis. Het Engelse woord understatement zou voor zijn manier van spreken kunnen zijn uitgevonden en zelf geeft hj uiteindelijk toe: “Het is natuurlijk niet voor niets dat ik hier in Londen ben blijven hangen. Die Angelsaksische mentaliteit past kennelijk goed bij mijn persoonlijkheid. Ik voel me hier zeer op mijn plaats.”

De vrijwillige ballingschap uit het taalgebied dat zijn wetenschappelijk werkterrein vormt heeft Rein Meijer al tijdens zijn studententijd in Amsterdam gezocht. Een opmerking van zijn hoogleraar, Hellinga, dat er in de toekomst behoefte zou zijn an mensen die elders in de wereld Nederlands op universitair niveau konden doceren, deed hem besluiten Engels als bijvak te kiezen. Zijn eerste baan was die van lector Nederlands aan de universiteit van Melbourne, Australie. In 1971 werd hij benoemd tot hoogleraar in de Nederlandse taal en literatuur in Londen. Er verschenen boeken, met zijn naam erop, die hij wel zelf heeft moeten schrijven. Afgezien van zijn dissertatie, over de poezie van Gerrit Achterberg, is zijn in het Engels verschenen Literatuur van de Lage Landen het belangrijkste werk.

De functie van hoogleraar heeft Meijer bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, in januari jl., overgedragen aan de Neerlandicus Reinier Salverda. Dat Meijer ook P.M. Reinders is - of P.M. Reinders Meijer - weten maar heel weinigen. En “Nee,” zegt Meijer enigszins spijtig op die suggestie, “ik heb nooit in de situatie verkeerd waarin iemand in mijn bijzijn op die Reinders ging afgeven.”

Een van Meijers collega's, Dick Boukema, heeft voor de feestbundel onder andere de meer dan 700 literaire kritieken, die P.M. Reinders voor NRC Handelsblad heeft geschreven, ontleed. Tussen de bijdragen over 'dubbel symbolisme in de poezie van Martinus Nijhoff' en 'Jan van der Noot's Europeade'

is dit voor de buitenstaander in de hele bundel het smakelijkste hapje. Ook Rein Meijer bekent dat hij de analyse, omdat hij het gewoonweg niet kon laten, meteen en als eerste heeft gelezen.

Boek in de hand bestudeert hij enigszins hulpeloos nog eens het lijstje criteria, aan de hand waarvan hij literair werk volgens Boukema pleegt te beoordelen: 1) spanning; 2) gevoel; 3) structuur; 4) humor - tot aan 11) individuele toon.

Nee, bewust is hij zich die criteria en in elk geval de volgorde ervan nooit geweest.

“Het zou ook het lijstje van een ander kunnen zijn. Of een boek ergens over gaat, bij voorbeeld, dat staat er helemaal niet als criterium bij. Terwijl ik dat belangrijk vind: een onderwerp noemen.” Maar het zal wel zo zijn, als Boukema geanalyseerd heeft. Meijer heeft hem geschreven om te zeggen dat hij niet hoopt dat hij de onderzoeker in komende literaire kritieken te schande zal zetten door andere maatstaven te hanteren.

“Ik voel me nu een beetje als die man die ging nadenken over de vraag of hij gewoonlijk met zijn baard boven of onder de deken in slaap viel. Die kon helemaal niet meer slapen.”

SCHRIEL

Meijer begon in 1966 aan het schrijven van recensies voor het Algemeen Handelsblad op verzoek van Bert Poll. Eerst ging het om Amerikaanse en Engelse literatuur, maar na vier jaar recenseerde Meijer op verzoek van Poll vanuit Melbourne meer Nederlands werk.

“Hij vond het een voordeel dat ik niet in 'het wereldje' zat, de mensen niet kende. Hij bedoelde dat ik daar in Australie niet wist wie ik eventueel voor het hoofd zou stoten.”

Afgezien van een korte periode, in zijn begintijd in Londen, waarin Meijer toneelkritieken schreef, bleef Meijer als P.M.

Reinders ook vanuit Engeland Nederlandse literatuur beoordelen. Zelf lijkt hij een beetje verwonderd dat er in Nederland op zijn oordeel nog prijs wordt gesteld. “Heel Nederland gaat, als je zelf al zo'n periode weg bent, een beetje achter glas zitten. Het is een godswonder dat ik nog Nederlands spreek! Nee, ik zie dat zelf niet zo, dat voordeel van die onbevooroordeeldheid. Schrijvers die ook medewerker zijn van de krant? Ik ken niemand van die mensen. Ik zie alleen het Cultureel Supplement, want dat krijg ik toegestuurd. Wie er er op andere dagen aan de krant meewerken, kan ik niet weten, want een abonnement kan er niet af. Zet dat maar eens in je krant, hoe schriel dat is, dat ik een paar keer om een abonnement heb gevraagd en dat nooit van jullie heb gekregen. Als mijn 25 jaar als criticus dan toch gememoreerd gaan worden, dan zou zo'n abonnement een waardig cadeau zijn.” Hij zegt het half lachend. “Voor de rest van mijn leven, dan natuurlijk.”

In de laatste aflevering van zijn regelmatige Kroniek van het Proza voor het blad van Neerlandici in den vreemde, Neerlandica Extra Muros, noemde Meijer vorige maand de schrijver A.F.Th. van der Heijden “verreweg de boeiendste schrijver in het Nederlandse taalgebied”. Meijer ziet in hem de opvolger van de generatie die het formaat van Hermans, Reve, Mulisch, Wolkers en Claus heeft opgeleverd. Dat oordeel - “ die Van der Heijden schrijft over allemaal dingen waar ik niet bij geweest ben, maar dat verhindert niet dat ik hem buitengewoon sterk en boeiend vind” - brengt het gesprek op “de Nederlandse literatuur” in vergelijking met Engels(talig) letterkundig werk.

“Studenten,” formuleert hij zorgvuldig, “vinden vaak Jan Wolkers de beste moderne schrijver die wij hebben. Mulisch waarderen ze ook wel. Maar Turks Fruit vonden ze fantastisch.

Waarom? Wolkers vinden ze gedurfd en vrij en direc. Studenten worden gepakt door die openheid van de maatschappij in Nederland, die zo volstrekt contrasteert met de Engelse samenleving. Het is nogal eens de reden dat ze Nederlands komen studeren. Ze zijn dan in Nederland met vakantie geweest en leuk verrast door wat ze er hebben aangetroffen. Dat directe van Nederlanders treft ze. Dat hebben ze zelf natuurlijk helemaal niet. Van college herinner ik me vooral hele discussies over het drugsbeleid in Nederland: hoe verstandig dat toch in hun ogen was.''

Nee, hij was het persoonlijk met dat enthousiasme ten aanzien van Jan Wolkers niet eens. Hij wil Wolkers niet afkraken en “er zijn een paar boeken van hem, die ik mooi vind, maar Turks Fruit zegt me niets. Maar je moet natuurlijk niet het enthousiasme van je studenten dempen.”

Vergelijking van de kwaliteit van Nederlandse literatuur met Engels letterkundig werk is, zegt hij, al haast onmogelijk door het verschil in omvang van het aanbod.

“Maar als De donkere kamer van Damocles van W.F. Hermans in het Engels geschreven zou zijn, zou het over de hele wereld een beroemd boek geworden zijn. Hier is deze week de Engelse schrijver Angus Wilson overleden. Die stond hoog aangeschreven. Maar het beste boek van Hermans is beter dan het beste boek van Wilson. En voor het formaat van Gerard Reve geldt hetzelfde - die gekke humor vind je nergens. Of ik Mulisch met opzet weg laat uit dit rijtje? Ja, een beetje. De Aanslag en een paar verhalen vind ik goed. Maar hij is geen Hermans, vind ik.”

Dat laatste “vind ik” klinkt luid en duidelijk als een beperkende bepaling bij alles wat hij daaraan voorafgaand gezegd heeft. Wanneer hem daarnaar wordt gevraagd, blikt Meijer uiterst verbaasd terug. Het begrip “autoritair oordeel” is kennelijk nog nooit bij hem opgekomen.

“Maar natuurlijk: vind ik. Meer dan dat is het niet. Anderen kunnen er anders over denken.” Nee, van een richtingenstrijd tussen recensenten in Nederland, laat staan van een onderling vereffenen van openstaande rekeningen, is hij zich niet bewust. “O ja, hoe dan? En tussen wie? Nee, daar heb ik hier nooit iets mee te maken.” Pauze, peinzend afgewende blik.

“Dat is nou wel weer het mooie van hier.”

BEETJE VERLEGEN

Meer dan verhalen voor het Hollands Maandblad (waar het P.M.

Reinders-pseudoniem is ontstaan) heeft Rein Meijer zelf nooit geschreven. Nee, er ligt geen onvoltooide roman in een la. Of het moet gaan over dat anderhalve hoofdstuk... “Als jongetje, ja. Maar dat liep toen meteen al in de soep. Nee, een roman schrijven kan ik niet. Dat is wel duidelijk.” Over de verhalen lijkt hij wel een beetje verlegen. Als ik zeg dat mij daaruit vooral de scepsis over en distantie tot 'de medemens'

in zijn directe omgeving is bijgebleven, alsmede criterium 4 (humor), dan knikt hij vooral beamend bij dat laatste punt.

“Humor is prettiger dan gejammer. O ja, ik ben een ontzettende zeurpot. Optimisme is mij ook niet gegeven. Het is niet florissant wat je om je heen ziet. Toch? Een en al treurigheid en slechtheid. Wat mij op de been houdt? Ja, gut, inertie denk ik. Gewoon doorrollen.”

De waarschuwing dat die bekentenis, gecombineerd met de onthulling van zijn identiteit, hem nu mogelijk de meelevende brieven van lezers en schrijvers gaat opleveren, die hem in zijn isolement altijd bespaard zijn gebleven, maakt hem een beetje aan het lachen. “Ze mogen best weten dat die Reinders niet een vrolijke zwierder is. En ik klaag niet. Ik ben zeer tevreden.”

De hoogleraar-emeritus klaagt vervolgens hartgrondig over de elektronische vooruitgang die hem het aanschaffen van een computer-woordprocessor opdringt. Op een geleend exemplaar werkt hij aan een vertaling van John Updike's Rabbit at rest.

Die moet hij zeer binnenkort bij een Nederlandse uitgever inleveren. Maar er is ook een lichtpuntje. Vertalen blijkt een kunst, iets dat hij leuk vindt om te leren. En nee, hij vindt niet dat het Nederlands te weinig kansen biedt om de nuances van de Engelse taal te vangen.

“Het Engels is buitengewoon rijk door de twee takken, Romaans en Germaans, waaruit het voortvloeit. Maar je kunt onmogelijk klagen over de armoede van het Nederlands. Als er op onze afdeling van het Nederlands in het Engels moest worden vertaald, hoorde ik ook wel het omgekeerde.”

Het interview is voorbij. Meijer lijkt behoorlijk opgelucht. Een onvermijdelijke laatste vraag. Is er iets dat hij mist, als Nederlander-Neerlandicus buiten Nederland? Of is hij totaal ver-Angelsaksiest?

“Zoute haring,” zegt Meijer meteen. En wat het ver-Engelsen betreft: hij vindt pubs vervelend, maar hij maait wel zijn grasveld geregeld. “Nee, ben je gek, natuurlijk niet met van die strepen.” Spottend: “Dat zijn van die nieuwerwetsigheden als de jenever koud zetten. Daar doe ik niet mee.”