FATOS NANO; Op zoek naar verzoening

Fatos Nano is gisteren, op de laatste dag van het rumoerige partijcongres, in de voetsporen van Enver Hoxha en Ramiz Alia getreden - met de belofte zo snel en zo drastisch mogelijk te breken met het beleid van die twee voorgangers.

Nano beloofde gisteren in zijn slotrede tot het partijcongres dat de Albanese Socialistische Partij, de partij die vier dagen geleden nog als de communistische Partij van de Arbeid van Albanie aan dit congres was begonnen, zal breken behalve met “de fouten en vergissingen van het verleden” ook zal breken met haar marxistische ideologie en dat ze aansluiting zal zoeken bij de Westeuropese sociaal-democratie. Op dat moment moet Enver Hoxha, de vader van het Albanese socialisme en de man die de partij van de oprichting in 1941 tot zijn dood in 1985 heeft geleid, zich in zijn marmeren graf op de heuvel boven Tirana hebben omgedraaid en moet zijn opvolger, president Ramiz Alia, die de erfenis van Hoxha ondanks een groot aantal concessies is blijven verdedigen, een grimas hebben getrokken. Nog geen twee jaar geleden liet Alia geen gelegenheid ongebruikt om af te geven op de principes die hij sindsdien noodgedwongen heef moeten accepteren: pluriformiteit in de politiek, de media en het openbare leven, depolitisering van de overheid, een vrije markteconomie en wat dies meer zij, en een jaar geleden nog schilderde hij de massale vlucht van tienduizenden landgenoten naar Italie af als een duister complot tegen het trotse Albanese socialisme.

Aan Nano de taak de diep verdeelde partij, waarvan brede lagen nog altijd rotsvast geloven in de dogma's van Hoxha, onder een nieuwe vlag te verenigen. Hij is te jong - 39 - om de meest bloedige periode van Hoxha's bewind bewust te hebben meegemaakt en werd pas tien jaar geleden lid van de partij.

Nano, zoon van een voormalige directeur van de Albanese televisie, studeerde zowel politieke wetenschappen als economie en was als econoom werkzaam in de gigantische staalfabriek van Elbasan, ooit de trots van het land en nu een van de belangrijkste industriele runes. De afgelopen jaren heeft hij politieke economie gedoceerd aan de universiteit van Tirana en de regering-arcani van advies gediend. In februari benoemde president Alia hem tot premier van de overgangsregering die de verkiezingen en snelle hervormingen moest voorbereiden. Als premier ontpopte de onbekende Nano zich als een talenwonder (hij spreekt feilloos Frans, Italiaans en Engels en redelijk Russisch) en als een man met humor en relativeringsvermogen, kwaliteiten die bij de doorsnee apparatsjik in Albanie gewoonlijk ontbreken.

Bij zijn pogingen, de eenheid in de partij te herstellen, heeft Nano de steun van Spiro Dede, die zich tot woede van de conservatieven de afgelopen maanden het respect (en in een aantal gevallen ook de persoonlijke vriendschap) heeft verworven van de belangrijkste oppositionele intellectuelen.

Het was Dede zich voorkwam dat Alia in februari, toen opposanten het standbeeld van Hoxha omverhaalden, de noodtoestand uitriep en het leger liet ingrijpen.

Of dit duo erin slaagt de hervormers en de conservatieven in de partij met elkaar te verzoenen is echter nog de vraag. Net zoals het de vraag is of die verzoening wel wenselijk is: een breuk zou wel eens beter kunnen zijn voor de politieke stabiliteit van Albanie. Als de onverbeterlijke volgelingen van Hoxha tijdig uit de partij stappen en hun eigen communistische partij (her)stichten, kunnen de verkiezingen van volgend jaar de Albanezen de duidelijkheid verschaffen die de verkiezingen van maart niet hebben opgelevrd. Gebeurt dat niet, dan zou de exodus van hervormingsgezinde partijleden, die de afgelopen maanden massaal naar de oppositie zijn overgelopen, wel eens kunnen aanhouden, de inspannigen van Nano en Dede ten spijt.