EG-hof buigt zich over credit card Ohra

ROTTERDAM, 14 JUNI. Verzekraar Ohra blijft goede klanten voorlopig van gratis credit cards voorzien. De economische kamer van de Arnhemse rechtbank kon gisteren niet beoordelen of Ohra daarmee illegaal handelt. Ze wil eerst van het Europese gerechtshof in Luxemburg weten of de Nederlandse Wet op de Assurantiebemiddeling, die de handelwijze van Ohra verbiedt, in strijd is met het Europese recht.

Volgens artikel 16 uit die WAB mogen verzekeraars en tussenpersone kun klanten geen “op geld waardeerbaar voordeel” toekennen. De Nederlandse Bond van Assurantiebemiddelaars vindt dat Ohra met haar gratis credit card - sinds vorig jaar voor iedereen met minimaal vier Ohra-verzekeringen - die bepaling met voeten treedt. Dat was voor de NBvA reden om het bedrijf, toch al geen goede vriend omdat het zonder tussenpersonen werkt, voor de rechter te laten dagen.

De advocaten van Ohra betoogden gisteren dat het gewraakte artikel uit de Wet op de Assuranti(J)ebemiddeling niet voor deze verzekeringsmaatschappij geldt. Het zou een kartelondersteunende bepaling zijn, die de concurrentie door verzekeraars zonder tussenpersonen ten onrechte beperkt.

Consumenten zouden voordelen worden onthouden die op zichzelf volstrekt verantwoord en aanvaardbaar zijn.

Het verbod om consumenten “enig op geld waardeerbaar voordeel” toe te kennen is volgens de raadslieden van Ohra in de Wet op de Assurantiebemiddeling opgenomen om te voorkomen dat tussenpersonen, en de maatschappijen waarvoor ze werken, klanten paaien met kortingen of cadeautjes. Dat zou namelijk ten koste van de marges gaan, en daardoor uiteindelijk funest uitwerken voor de tussenpersonen.

Een rechtstreeks werkende verzekeraar concurreert per definitie op het gebied van premie, aldus Ohra, omdat zij provisies uitspaart. Daarbij is het essentieel dat hij beschikt over verkoopbevorderende methoden. Volgens de verzekeraar gaat het overigens met de creditcard niet om verkoobevordering. De kaart is een onderdeel van de verstrekkingen van het verzekeringspakket.

Ohra vindt verder dat de bepaling in de wet buitengewoon onduidelijk is over wat wel en niet is toegestaan. Zij meent dat er tal van acties zijn aan te wijzen die misschien wel onder het betreffende verbod zouden vallen, maar waartegen niet wordt opgetreden. De verzekeraar concludeert dan ook dat het verbod niet een zo ruime strekking heeft als de NBvA denkt, of er is srake van rechtsongelijkheid. Ohra wijst bovendien op de Europese wetgeving, die concurrentiebeperkingen verbiedt.