Een geschiedenis van het oude Texel; Zo fris als romige geitenkaas

Nico Dros: Noorderburen. Uitg. G.A. van Oorschot, 163 blz. Prijs (f) 27,50

Noorderburen, het debuut van Nico Dros, begint als een spannend jongensboek. De jonge aristocraat Christiaan Boddaert wordt in 1810 gearresteerd omdat hij een opruiend pamflet geschreven heeft tegen de Franse overheerser. Geen advocaat durft hem te verdedigen. Zijn omgeving vreest een strenge straf, anderen zijn voor minder gehangen. De verwachting dat het hier om een jongensboek gaat wordt echter gelogenstraft door de geschiedenis die volgt. Daarin vertelt Boddaert over zijn verblijf in Noorderburen, een fictief gehucht op Texel waar hij als balling drie jaar moet verblijven. Geen mantel- en degenwerk of politieke intriges, maar slufters, slenken, vissers en hun vrouwen zetten de toon.

Noorderburen heeft geen onderwijzer, dominee of arts. Boddaert neemt al snel enkele van deze taken op zich. Hij zet een school op en leest uit de Bijbel wanneer iemand overlijdt.

Geneeskundige kwaliteiten bezit hij niet, dat zal hem later opbreken.

Dat de geschiedenis speelt in de Franse tijd, heeft verder nauwelijks enige invloed op het verhaal. De barbaarse inwoners van Noorderburen leven buiten de tijd. Ze zijn in dubbel opzicht gesoleerd: niet alleen wonen zij op een eiland, maar bovendien is het gehucht zelf weer een uithoek van Texel. Het aanvankelijke politieke engagement van de hoofdfiguur speelt al vrij snel geen rol meer. Hij beseft dat hij het pamflet dat hem in moeilijkheden heeft gebracht alleen maar schreef om een vrouw te imponeren.

In zijn roman tracht Dros drie verhaalstrengen te verknopen tot een geheel: de ontwikkeling van de hoofdpersoon van nutteloze edelman tot waardevol lid van de samenleving (of: van kind van de rede tot redeloos romanticus), de liefdesgeschiedenis tussen hem en een Texelse vrouw, en de beschrijving van een gesoleerde dorpsgemeenschap aan het begin van de vorige eeuw. Boddaert is genteresseerd in verhalen van de dorpsbewoners en begint “een speurtocht naar de heemkundige en historische bijzonderheden van het gebied”.

Volgens de methode van de oral history interviewt hij de plaatselijke bevolking en noteert hun verhalen in zijn Memoriaal. En zo komt de lezer veel aan de weet over het leven en de geschiedenis van de eilandbewoners. Hoe zij sterven en hoe zij hun doden begraven, maar ook hoe bijgelovig ze zijn en hoe zij reageren op 'de wandelende Jodenman' die af en toe het dorp aandoet met zijn koopwaar en mooie verhalen vertelt vol magie en waarzeggerij.

Boddaert beschouwt dit alles aanvankelijk met de distantie van een man van de Verlichting. Later twijfelt hij aan zijn verstandelijke vermogens: “Het leek of ik niet langer een redelijk wezen was.” Ten slotte concludeert hij: “Ik was niet meer dezelfde als de persoon die hier eerder gevankelijk was heengevoerd.”

De balling wil zijn tijd op het eiland nuttig maken. Hij probeert de bewoners te civiliseren, verbetert de aardappelteelt en maakt plannen tot inpoldering van een kwelder. Een bron van inspiratie voor al die activiteiten is de aanwezigheid van de jonge weduwe Marije, waar hij zijn begerig oog op heeft laten vallen. Een vreemdeling die in een besloten gemeenschap belangstelling toont voor een vrouw die andere mannen uit het dorp heeft afgewezen, krijgt natuurlijk moeilijkheden. De aristocraat belandt dan ook in een ordinaire steekpartij. Maar later wordt hij geaccepteerd, brengt hij het zelfs tot onderburgemeester ('sous-maire') en beleeft een bloeiende idylle met Marije.

Tot zover lijkt er weinig aan te merken op Noorderburen, toch is er iets mis met de roman van Dros. Het is misschien nog niet zo erg dat sommige verhaallijnen onuitgewerkt blijven. Zo verklaart de hoofdpersoon halverwege het boek dat zijn dadendrang een boetedoening is, omdat hij eerder twee vrouwen ongelukkig maakte. Deze personen spelen verder nauwelijks een rol. Misschien wil de auteur betogen dat handelingen voortkomen uit primaire driften en niet uit politieke principes. Ook de voorspelbaarheid is geen groot bezwaar - de geschiedenis moet wel slecht aflopen na alle onheilszwangere dromen en de expliciete voorspelling door de onvermijdelijke marskramer.

Wat het boek onherstelbare schade toebrengt is vooral het taalkundig experiment dat Dros uitvoert. Met de kennelijke bedoeling de historiciteit van het relaas te onderstrepen, bedient de schrijver zich van een onleesbaar pastoraal en quasi-archasch taalgebruik. Woorden als 'fluks', 'drommels' en 'oorvijg' drukken sterk hun stempel op de roman en roepen de sfeer op van Bob Evers-boeken. Een tekst zo vol van knoesten, moekes, mensjes, herderinnetjes, vrouwtjes, moedertjes en ooitjes krijgt iets vermoeiends. Net als jongemannen met een adem “zo fris als romige geitenkaas” en vrouwen met “weemoedige kalfjesogen”. En wie kan met droge ogen de passage lezen waarin beschreven wordt hoe de hoofdpersonen 'elkaar krijgen': “Aan de oever krioelden en piepten de donsvogeltjes. Lepelaars en visdiefjes vlogen over in een voorzomers uitspansel vol schapenwolkjes. De harp vertolkte op lauwe vlagen de melodie van zefier. En daar in dat meertje hadden wij elkaar lief.”

Gelukkig loopt het boek slecht af. Het is dus toch moderne Nederlandse literatuur.