Eda Kriseova's sprookjesachtige waarheid; Een heks in het ziekenhuis

Eda Kriseova: Wat er gebeurde in het gekkenhuis. Vert. Hank Geerts, 178 blz. Uitg. Prometheus. Prijs (f) 27,90.

In de gouden dagen van de Tsjechische verboden literatuur druppelde er vanuit Tsjechoslowakije af en toe een manuscript naar het ve Westen. Later werden dat er meer. In Toronto en in Keulen maakten ze er echte boeken van en het toplaagje daarvan werd vaak binnen niet al te lange tijd in andere talen vertaald. De buitenlandse uitgevers stonden aarzelend, maar niet onwelwillend tegenover deze literatuur of tegenover de in de emigratie geproduceerde werken, waarin gebrek aan kwaliteit kon worden gecompenseerd door de actualiteit of door het noot dat over Tsjechoslowakije was afgeroepen. Milan Kundera veroverde de wereld, en na hem een heel palet van schrijvers, genoeg om een flinke boekenplank mee te vullen en genoeg om er een kleine geschiedenis van de moderne Tsjechische literatuur over te schrijven: Vaculik, Kohout, Klima, Havel, Hrabal, Skvorecky, Kliment, enz.

De wat aarzelende uitgevers werden plotseling veel toeschietelijker toen die literatuur niet langer verboden was.

En dan: een toneelschrijver als prident! De vraag overschreed al snel het aanbod: eerst werd Havel uitgemolken via vertalingen uit andere talen door uitgevers als Van Gennep en de Prom. Vervolgens werd naarstig gezocht naar 'nieuw talent'

(en naar nieuwe vertalers). De vraag is echter of de kwaliteit van dit nieuwe talent nog wel toereikend is. Vlak achter elkaar verscheen onlangs werk van twee Tsjechische schrijfsters, Eva Kanturkova (1930) en Eda Kriseova (1940). En juist bij hen wordt de aag naar kwaliteit nijpender, omdat de actualiteit van het beschrevene of van de schrijver die uit het verleden is.

Beide schrijfsters hebben een typische 'micro-wereld' als locatie en onderwerp gekozen. Kanturkova de gevangenis, Kriseova het gekkenhuis. Beiden konden uit eigen ervaring over deze plekken verhalen. Kanturkova, wier boek Mijn lotgenoten bij Veen verscheen (zie het interview in het CS van 1-3- '91) zat als politiek gevangene opgesloten te midden van criminelen. Kreova was vrijwilligster in een psychiatrische inrichting. Volgens een autobiografische column uit 1982 was ze in 1969 in psychische moeilijkheden geraakt, toen het haar onmogelijk werd gemaakt haar beroep als journaliste verder uit te oefenen. Haar psychiater zou haar hebben aangeraden om het leed maar van zich af te schrijven en ze besloot het milieu van een psychiatrische inrichting als onderwerp te kiezen. Op die manier wie zij inzicht krijgen in hen die er veel erger dan zij zelf aan toe waren. Ze kwam dagelijks op bezoek, observeerde de patienten, praatte met hen en luisterde er naar de levensverhalen die haar werden toevertrouwd.

Net als Kanturkova bewoog Kriseova zich geregeld in Charta-kringen, en nu deze kringen aan de macht zijn, werd ze Havels persoonlijke adviseur en biograaf.

Ondanks de vele overeenkomsten staan beide boeken bijna diametraal tegenover elkaar. Kanturkova vertelt onopgesmukt, direct en rechtuit, zonder veel literaire poespas franje.

Maar met haar manier van vertellen is ze veel meeslepender dan haar collega Kriseova. Deze gebruikt de verhalen die ze hoort, ze reproduceert ze, slordig, zonder de ellende van deze gekken te willen analyseren. Haar verhaalstof dient vooral om een hogere horizon te bereiken: het bizarre in de wereld binnen en paradoxaal evenzeer buiten het gekkenhuis. De navrante sfeer vermengt zich weer met haar eigen broze positie en de sprookjesachtige landschappen, d vaak als inleiding dienen.

Soms associeert ze haar observaties met andere domeinen van het menselijke bewustzijn: met magie, helderziendheid, animisme, en bewijst ze haar naam als 'witte heks', zoals ze zich een keer liet afficheren in een interview in een Tsjechisch blad.

Het zwakst in de verhalen van Kriseova zijn eigenlijk de 'oerverhalen' die ze heeft opgetekend. Deze missen een pointe, verzanden en vallen terug in een nevelig wereldbeeld vol bizarre nostalgie. Waar Kanturkova uitbkt door directheid (verzwakt door een zeker moralisme dat voortdurend op de loer ligt), daar vertoont Kriseova juist de neiging om de werkelijkheid op afstand te houden, te verdraaien en verfraaien.

Het sterkst is Kriseova (en met haar de vertaalster) bij de beschrijving van landschappen, die door hun overgestileerdheid de indruk wekken van naeve schilderkunst of van feeerieke scenes, te mooi haast om waar te kunnen zijn, als ze de onwaarheid zelf al niet aangeeft met een vleugje ironie.

Helaas zijn die passages waarin ze haar intieme relatie tot de natuur uitdrukt in de minderheid en overheerst het 'gebabbel'

van die anderen. Kriseova's stijl is, afgezien van de landschapsbeschrijving, vluchtig en grillig en in vertaling moeilijk te vangen. Van de vertaler wordt dan ook een grote vaardigheid vereist. Anders dan Kanturkova zoekt ze duidelijk een literair effect en dat vereist ook in het Nedeands een genuanceerd esthetisch taalgebruik. Al te mechanische vertaling of reproduktie van een kunstgreep hebben weinig zin. Bij het lezen struikelde ik vaak over een ongelukkige, misleidende interpunctie, vlamismen ('degusteren'), onhandige wendingen ('hij ging voor bier' = om te halen), of overdreven en foutieve vertalingen ('afgelebberd lijk' voor een 'overgebleven eendagsvlieg' als aanduiding van een ietwat verlepte vrouw op leeftijd). Ook zouden enkele noten niet misplaatst geweest zijn. Je vraagt je af of men bij de uitgever op de redactie heeft zitten slapen toen men de vertaling nakeek. Prometheus in Morfeus' armen?