De verzonnen herinneringen van Danilo Kis; Hoe reist men naar Nicaragua

Danilo Kis: Tuin, as. Vert. Roel Schuyt. Uitg. De Bezige Bij, 179 blz. Prijs (f)32,50.

Wie een verhaal vertelt, is al gauw aan het fantaseren. Daar is lang niet altijd iets tegen, zelfs niet voor wie de waarheid wil vertellen. De waarheid is soms behoorlijk gebaat bij een beetje fantas of verbeelding. Is het waar dat het glas water dat Andreas Sam elke ochtend van zijn moeder kreeg op mooie dagen meestal lekkerder smaakte dan bij lelijk weer?

Waarschijnlijk niet, maar aan de andere kant: waarschijnlijk wel. Het water gaat smaken naar de dagen, zeker achteraf. En wanneer Danilo Kis in zijn roman Tuin, as beweert dat de potten en glazen met honing en levertraan en water die elke ochtend op een dienblad binnen worden gegen niet meer waren dan 'monsters, specimina uit nieuwe landen waar gisteren de dolle boot van onze dagen had aangelegd' dan maakt hij het allemaal veel mooier dan het was en toch heeft hij gelijk.

Tuin, as is het tweede deel in een autobiografisch drieluik waarin Kis steeds dezelfde tijd en plaats bekijkt, maar, zoals hij zelf zei 'alsof je de camera steeds verder open zet'. In Kinderleed, het eerste, helaas nog niet vertaalde deel, sluit de wereld nog nauw om het jongetje Andreas (Andi) S Kis' alter ego. Het zijn heldere, lichte verhalen over weggeraakte koeien en gevonden paddestoelen, maar zomaar ineens staat er ook een verhaaltje in dat 'Pogrom' heet en waarin opgewonden mensen een magazijn openbreken. Andi heeft zich verstopt in de dolle menigte, dat lijkt hem de veiligste plaats. Aan het slot van dit mini-verhaal staat hij met een blik spaghetti bolognaise in zijn handen dat hij niet mee naar huis durft te nemen maar al evenmin durft achter te lateIn de Franse vertaling heet het boekje Chagrins precoces, Vroegrijpe verdrieten letterlijk.

Een goede titel. Wie opgroeit in Midden-Europa ten tijde van de Tweede Wereldoorlog, als zoon van een joodse vader, die heeft verdriet dat te oud is voor zijn leeftijd.

Het onlangs verschenen Tuin, as is misschien wel het mooiste van de drie hoewel de andere twee ook zeker het mooiste zijn.

Zandloper, het derde deel, is al vertaald. Hoewel elk van deze boeken op zichzelf staat, en voor wat de gebeurtenissen betreft geen vervolg krijgt in een ander deel, is het toch jammer dat de Bezige Bij van achteren naar voren werkt, al probeert zij dat te verhullen door op de achterflap van Tuin, as te beweren dat we hier met deel een van het drieluik te maken hebben. De lezer die begint bij Kinderleed ziet het mooist hoe hardnekkig de waarheid over een verdwenen wereld steeds opnieuw verzonnen wordt. “Kinderleed,” zei Kis, “zijn kleurige schetsen, Tuin, as tekeningen en Zandloper is een schilderij, of ter nog, een mozaek.” Dat geldt niet alleen voor de inhoud, maar zeker ook voor de stijl, die in elk boek rijker wordt en een opmerkelijke variatie in registers laat zien. In Zandloper laat Kis al zijn mogelijkheden zien, daar worden lyrische passages afgewisseld met feitelijke, verhaal met document, schijnbare objectiviteit met benauwende subjectiviteit.

DIENBLAD

Wat kan Kis, geboren in 19 (en gestorven in 1989), zich nu eigenlijk herinneren van de eerste oorlogsjaren? Hij was klein, het was een chaotische tijd, zeker in het gezin Sam- Kis dat voortdurend verhuisde. De schrijver moet woekeren met wat hij nog weet en met alles wat hij nog te weten is kunnen komen. Dus herinnert Andi Sam zich heel precies de rand van het dienblad waarop het water stond. En heel precies de rode ottomane die zong als men erop ging zitten of de Singer naaimachine van zijn moeder, zoekgeraakt in de chaos van de oorlog. “Hij verdween als een weeskind, trok de wijde werd in, al te gevoelig voor onrust.” Hij komt met onbelangrijke maar belangwekkende geschiedenissen zoals die van Fraulein Weiss, een dame die zich in haar jeugd probeerde om te brengen door haar kamer vol bloemen te zetten. “Daarna kwam zij, als slachtoffer van de wraak van de god der bloemen, onder auto's en trams, ze werd overreden door boerenkarren en voorbijsnellende rijtuigen, maar zij kwam iedere keer gewon maar levend, onder de wielen te voorschijn, en zo, in dit verschrikkelijke contact met de dood, leerde zij het geheim van de eeuwigheid kennen.” Of hij beschrijft de schaakvriend van zijn vader, de vegetarier meneer Gadanski, die op een winteravond binnenkomt 'dampend als een warm worstje'.

Het zou jammer zijn om al deze dingen niet nauwkeurig te beschrijven, want ze zijn de waarheid, of men zich die nu herinnert of niet. Zo wordt ook de waarheid over Eduard Sam, de vader, zorgvuldig ontworpen. Hij was een onmogelijke m en een held, een gek en een genie, een man om te haten en om voor altijd van te houden, een man die niet bestaan kan hebben, maar die bestaat in de taal van Kis. Dit hele Familiecircus, zoals de drie delen tezamen heten, is een monument voor Eduard Sam, de man die er niet in slaagde zich met de wereld te verzoenen.

Tuin, as begint met het voornemen van Andreas Sam om zich niet door de dood te laten verrassen als die komt. “Ik zou me muisstil houden, zodat de beer van de dood, s hij kwam om aan mij te snuffelen, zou denken dat ik al dood was.” Hij begrijpt dat hij er niet in zal slagen ook anderen voor de dood te verbergen. Zijn moeder niet, dat vindt hij het ergste.

Maar geleidelijk aan wordt duidelijk dat degene die als eerste onontkoombaar op de dood afkoerst zijn vader is, de onweerstaanbare schrijver van de allesomvattende Dienstregeling van het autobus-, scheepvaart-, spoorweg-, en vliegverkeer. Met een eenvoudige Dienstregeling heeft dit levenswerk al spoedig nie meer te maken. “Afkortingen veranderden in titels, titels in hoofdstukken, en het duurde niet lang of het oorspronkelijke idee van een gecombineerde dienstregeling en baedeker bleek niet meer te zijn dan een kleine, provocerende kiemcel die zich in geometrische progressie deelde, als een primitief organisme.”

Eduard Sam krijgt bijna mythische proporties. Fladdert er een glimworpje om zijn hoofd, dan heet dat 'het vuurvliegje van zijn genie'. De eerste druk van zijn dienstreling, waarin nog niet de internationale lijnen waren opgenomen, heet zijn 'Urfaust'. In alle ernst wordt de vraag die Eduard Sam wil beantwoorden in zijn dienstregeling 'geniaal' genoemd: “En die ene, enkele zin, die grote lotsbepalende vraag, getransponeerd naar een hoger, metafysisch plan, zou hem al spoedig volledig obsederen door zijn betekenis en door het raadsel dat daarin besloten lag, en waarop mijn vader vastbesloten was een antwoord te geven: ('oe reist men naar Nicaragua?'

PLATVOETEN

Vader Sam kon bovendien meesterlijk schrijven wordt ons verteld. En het blijkt waar: uit Sams bezwaarschrift tegen zijn tewerkstelling citeert Kis een verrukkellijke passage waarin de vader zich ongeschikt voor zware arbeid verklaart omdat hij niet alleen een neuroticus en een alcoholist is, maar bovendien, en dat kan hij met bewijzen staven, platvoeten heeft. “En zo wordt, geheel onverwacht en onvoorzien, deze geschiedenis, deze vertelling, steeds meer deeschiedenis van mijn vader, de geschiedenis van de geniale Eduard Sam.”

Toch weet de schrijver maar weinig over zijn vader Eduard Sam. Wie hij was en wat hij deed voor hij zijn vader was, daarnaar kan hij slechts gissen. Met behulp van persoonsbewijzen, attesten, diploma's, getuigenverklaringen, 'chiromantie, telepathie en droomuitlegging' reconstrueert hij een voorgeschiedenis, die j zelf tamelijk onwaarschijnlijk zegt te vinden. “Maar waarom zouden wij onze eigen beweringen voortdurend in twijfel trekken!” Zo is het. Iemand die zo kan schrijven als Kis heeft de waarheid helemaal niet nodig. Alles wat hij schrijft is waar.