De ideale witte cilinder; Miniatuurportretten in het Mauritshuis

Sommige van de 250 miniatuurportretten die nu in het Mauritshuis in Den Haag zijn te zien, hebben de omvang van een stuiver. Ze zijn dan ook niet geschikt als identificatiemiddel. “Dit soort souvenirs waren stek gedealiseerd. De werkelijkheid moet ver van het beeld hebben afgelegen.” . Portretten in miniatuur. Portretminiaturen uit de stadhouderlijke en koninklijke verzamelingen. In het Mauritshuis t-m 18 augustus. Bij de tentoonstelling is een album verkrijgbaar met 50 miniaturen in kleur. Prijs (f) 29,50.

Miniatuurportretten zijn, anders dan pasfoto's niet geschikt als identificatiemiddel. Het geringe oppervlak maakt het moeilijk om bij voorbeeld oneffenheden in de huid weer te geven. Maar daar ging het de prinsen en prinses- sen, ook niet om, blijkt op een expositie van 250 vorstelijke miniaturen in het HaagseMauritshuis.

door Roelof van Gelder

Het portret, als een getrouwe afspiegeling van een gelaat, heeft sinds het einde van de middeleeuwen een herinneringsfunctie gehad. De kunst van het portretschilderen diende volgens Albrecht Durer om 'dy gestalt der menschen nach ihrem absterben' te behouden. Ook vervulden portretten van belangrijke personages, zoals vorsten, geleerden en succesvolle militairen een voorbeeldrol. Hun portretten spoorden aan tot een even wijs, geleerd of dapper leven. Dit soort portretten hing dan ook in toepasselijke ruimtes, in paleizen, stadhuizen en bibliotheken. De herinneringsportretten t men eerder aan in privevertrekken.

Portretten zijn nooit gebruikt als middel tot identificatie. De intiemste versie van het portret is het miniatuurportret, kleine in email, op fijn perkament, karton, ivoor, koper of hout geschilderde portretjes in waterverf of olieverf. Soms handig gemonteerd in ring, armband of medaillon, later ook op tabaks-, snuif- en toiletdozen. Het stelde de eigenaar in staat de geliefde persoon altijd mee te dragen. Deze gewoonte, otaan in de zestiende eeuw in Frankrijk en Engeland, waaierde uit over Europa en bleef bestaan tot diep in de negentiende eeuw. Toen werd de fotograaf de concurrent van de portretschilder en verving de pasfoto het miniatuurportret.

Een enkele keer wordt men daaraan herinnerd: in de rij voor de kassa, wanneer een andere klant een beduimeld plastic portemonneehoesje met foto van kind of partner toont. Of in een auto waar een medaillon met foto aan het achteruitkijkspiegeltje bungelt, met het levensgevaarlijke ies 'Rij voorzichtig, denk aan mij'.

ONEFFENHEDEN

In het Mauritshuis is een mooie tentoonstelling geopend, gewijd aan portretminiaturen uit het bezit van de stadhouderlijke en de koninklijke familie: 250 portretjes uit een totaalbestand van 900, daterend uit vijf eeuwen. Deze collectie is in fases opgebouwd en vormt niet meer een geheel.

De echtgenote van koning-stadhouder Willem III, Mary, legde al een grote verzameling aan en dezerd in de achttiende eeuw aangevuld. De Fransen confisqueerden bij hun inval in 1795 een deel. Deze splitsing is er de oorzaak van dat de 200 geconfisqueerde miniaturen later aan het Rijk toevielen en zich nu in het Rijksmuseum en het Mauritshuis bevinden. In de negentiende eeuw is de collectie van het huis Oranje-Nassau aanzienlijk uitgebreid door aankopen van koningin Sophie en prins Alexander. Deze collectie ust in het Koninklijk Huisarchief en omvat 700 exemplaren.

In drie wegens de kwetsbaarheid spaarzaam verlichte zalen is een helder geordende tentoonstelling ingericht. Na een inleiding worden enkele thema's behandeld: gebruik en techniek, de verschillende schilderscholen en de vorstenhuizen die het sterkst vertegenwoordigd zijn: Oranje-Nassau, Wurtemberg en Romanov. Men moet op deze tentoonstelling wennen aan het kleine formaat. Sommige portretjes zijn niet groter dan een stuiver. Die afmetingen dwongen de schilder zich te beperken in zijn voorstelling. Alle portretten zijn borstbeelden, de hoen zijn in trois quart en de achtergrond is egaal. Deze formele beperkingen maakten het moeilijk om attributen af te beelden, die iets over de voorgestelde meedelen. Er was geen ruimte voor zoiets als een landschap, een interieur of meubilair, en de voorgestelde kon ook niets in zijn handen houden, want meer dan de bovenarmen viel niet te zien. Van enige handeling was geen sprake. Het enige waarmee karakter of beroep kon worden aangegeven was het gezicht en een stukje vade bovenkleding. Maar het geringe oppervlak maakte het ook moeilijk oneffenheden in de huid weer te geven, als dat al was toegestaan, want het schoonheidsideaal kon dat verbieden.

SENTIMENTEEL

Naar mijn smaak hebben de Engelsen in de Elisabethaanse tijd en de Nederlanders in de zeventiende eeuw de mooiste miniaturen gemaakt. Engelsen als Hilliard en Olivier maakten schitterende portretten, intens van kleur en haarfijn van detail. Enkele Nederlanders werkten met olieverf op hout en kwa tot sterke resultaten, maar in wezen zijn zij gewone schilders die zich toevallig een keer op klein formaat waagden.

De achttiende eeuw is sterk vertegenwoordigd en vooral daardoor zweeft om het idee van het portretminiatuur iets van sentimentaliteit, van haarlokken en tranen. De man, doorgaans met een indrukwekkende allongepruik op het hoofd, biedt in het weinige wat van zijn kleding te zien is nog genoeg mogelijkheden tot t vaststellen van functie of beroep. Hij heeft een harnas aan, draagt epauletten, een sjerp of een ferm ordeteken. Bij de vrouw ligt het anders. Ze had geen beroep behalve dat van gemalin. Haar individualiteit moest uitkomen door haar kapsel, haar sieraden en haar lichaam. Zij droeg oorbellen, een diadeem, een halsketting of alles tegelijk en dat op een huid die in witheid kon wedijveren met het ivoor waarop het portret geschilderd was. Meer dan op het hoofd is het schoonheidsideaal geconcentreerd op hals, schour en borst.

Een laag uitgesneden jurk verhult het grootste deel van de boezem. Anatomisch ziet dat ideaal er merkwaardig uit: het hoofd, met veel te grote ogen rust op een omgekeerde trechter.

De hals is een lange cilinder, die op een vloeiende wijze in de aflopende schouders overgaat. Sleutelbeenderen, noch schouderbladen lijken te bestaan.

Dit soort souvenirs waren sterk gedealiseerd. De werkelijkheid moet ver van het beeld hebben afgelegen. Dit verklaart ook t miniatuurportretten nooit als identificatiemiddel zijn gebruikt. Paspoorten of geleidebrieven bestonden uit een beschrijving van uiterlijke kenmerken, van lengte, oog- en gelaatskleur en bijzonderheden als littekens. Nooit was er een portret aan bevestigd. Maar deze koningen en koningin, prinsen en prinsessen hoefden zich natuurlijk niet te identificeren en zouden een ongeflatteerd realistisch portret onverdragelijk hebben gevonden. En zij die dat wel moesten, de werklozen, zwervers, armoeaaiers konden het niet betalen.