De geschiedenis van het Paleis voor Volksvlijt; Verlost van het monster

J.C. Polak-van 't Kruys: Het Paleis voor Volksvlijt. Uitg. Stadsuitgeverij Amsterdam, 104 blz. Prijs: (f) 22,50.

Er waart een droombeeld door de randstad en heel wat theatermakers jagen het na. Ze hebben er een naam aan gegeven en praten elkaar na in hun enthousiasme over de baaierd aan mogelijkheden die zich zou ontvouwen als ze hun zin zouden krijgen. De droom heet de zwarte doos, een begrip dat zich laat omschrijven als een neutrale ruimte die voor elke voorstelling een andere, daarbij passende gedaante aanneemt.

Als er maar eenmaal zo'n zwarte doos beschikbaar was, zou het met het toneel veel beter gaan.

De dromers zetten zich af tegen de gangbare schouwburg, die zich met zijn opsmuk en zijn sierlijst, zijn frutsels en strikjes, zozeer aan de voorstelling zou opdringen dat alles daardoor verstikt in de traditie. Ze wijzen het gebouw als instituut af, de voorstelling moet voorop staan en niet de omgeving.

De gedachtengang is te volgen, maar biedt ruimte voor tegenspraak. Men zou kunnen tegenwerpen dat geen enkel gebouw neutraal is, ook een zwarte doos niet. Wat begint als een objectief logeeradres, groeit snel uit tot een huis met een eigen karakter. In minder dan geen tijd ontstaat in ieder gebouw een traditie, een herinnering aan eerdere voorstellingen die meezindert bij iedere volgende. Met een schone lei beginnen is onmogelijk, net zo min als een voorstelling kan worden gemaakt vanuit een neutraal nulpunt.

Men zou zelfs kunnen beweren dat dat nu juist een van de aardige kanten van theater is: de combinatie van gebouw en voorstelling. Als de voorstelling aansluit bij de traditie van het gebouw, wordt ze erdoor versterkt. Als ze zich tegen de omgeving verzet, wordt dat verzet er sterker, beeldender door.

Extreem voorbeeld: als Wim T. Schippers zijn Going to the dogs niet in de Stadsschouwburg van Amsterdam had laten spelen, maar in het toenmalige Mickery-theater, was het resulaat veel minder uitzinnig geweest.

Stel dat het Paleis voor Volksvlijt nog zou bestaan - door wie zou het dan nu worden bespeeld? Toen het nog niet was afgebrand, fungeerde het als multifunctioneel gebouw. Er werden jubilea gevierd en handelstentoonstellingen gehouden, ongeveer zoals nu in de RAI. Maar tegelijk concerteerde er een eigen orkest onder leiding van Johan M. Coenen. De volksacteur Barend Barendse speelde publiekstrekkers als De gebochelde en Dreyfus, of de martelaar van het duivelseiland. “Een siddering van afgrijzen ging door de zaal wanneer hem, in de titelrol, de epauletten van de schouders werden gerukt en zijn degen werd gebroken,” schreef T.K. Looijen in Een geschiedenis van Amsterdamse theaters. Henri ter Hall en Louis Bouwmeester jr ensceneerden er hun grote revues, maar tevens speelde Willem Royaards er Adam in ballingschap en presenteerde Louis Saalborn achtereenvolgens Strindberg en Shakespeare.

MONUMENTAAL

J.C. Polak-van 't Kruys bescrijft in het pas verschenen boekje Het Paleis voor Volksvlijt, onderdeel van een met zichtbare zorg geproduceerde reeks historische uitgaven van de Stadsuitgeverij Amsterdam, hoe het gebouw aan het Frederiksplein ontstond (met de blik gewend naar het Crystal Palace in Londen), hoe het werd geexploiteerd en hoe het afbrandde. Het paleis gaf de stad, van de opening in 1864 tot de brand in 1929, een allure die niet meer is geevenaard.

“Een van de weinige monumentale gebouwen die Amsterdam ooit heeft gehad,” aldus Rudy Kousbroek in de vorig jaar verschenen Fragment-uitgave Het paleis in de verbeelding - een prachtig fotoboekje waarop het feitelijke geschiedverhaal van Polak-van 't Kruys een uitstekende aanvulling vormt. De enige kritiek die ik erop heb, is dat ze vooral de exploitatie beschrijft en te weinig aandacht besteedt aan de gebeurtenissen in het gebouw en de rol van het paleis in het Amsterdamse uitgaansleven hoewel er (bijvoorbeeld door Herman Heijermans) meeslepend over is geschreven.

Op een gravure in haar boekje is te zien hoe de schouwburgzaal er uitzag: een klassieke toneellijst en strakke, rechte stoelen. Zou daarin, als alles anders was gelopen, nu nog worden gespeeld? De schrijfster heeft haar twijfels, want het is tijdens het bestaan van het paleis altijd moeilijk geweest de eindjes aan elkaar te knopen: “Zo blijft de vraag of het ons moet spijten dat het Paleis niet meer bestaat, of dat we blij moeten zijn van dat geldverslindende monster verlost te zijn.”

De vraag getuigt van realisme, maar het antwoord lijkt me duidelijk. Natuurlijk moet het ons spijten; ik zou niet weten waarom het paleis niet een populair theater had kunnen blijven. En als daarin dan voorstellingen werden gespeeld die braken met conventies, zou er een kader zijn geweest om doorheen te breken. Net zoals de Stadsschouwburg dat nu nog is.