Assia Djebar over vrouwen in de islam; Getrouwd met dezelfde man

Assia Djebar: Loin de Medine. Ed. Albin Michel, gemp. door Nilsson & Lamm, 314 blz. Prijs (f) 51,60 Assia Djebar: De Schaduwkoningin. Vert. Jan Versteeg. Uitg. De Geus, 191 blz. Prijs (f) 32,50.

Assia Djebar is in 1936 in Algerije geboren, schrijft in het Frans en heeft inmiddels een respectabel oeuvre opgebouwd waarin de gecompliceerde situatie van de vrouw in de islamitische wereld centraal staat en - impliciet of expliciet - van comentaar wordt voorzien. Zij doet dat in de eerste plaats door 'portretten' te schilderen van heel verschillende Noordafrikaanse vrouwenfiguren, moderne en historische. Zin voor zin, vanuit verschillende gezichtspunten bouwt zij haar figuren - ontdaan van alle trivialiteit - op tot zij meer dan levensgroot aanwezig zijn. Loin de Medine, haar onlangs verschenen nieuwe roman die speelt in de periode vlak na de dood van de profeet Mohammed, en De Schaduwkoningin, de Nederlandse vertaling van L'Ombre sultane uit 1987, leveren bee - hoe verschillend van aard ook - prachtige voorbeelden van dit beeldend vermogen.

Voor Loin de Medine heeft Djebar zich gebaseerd op oude Arabische kroniekschrijvers, vooral Tabari die in de negende eeuw in zijn Geschiedenis van profeten en koningen uitvoerig optekende wat via mondelinge overlevering bekend was over de eerste tumultueuze decennia van de hidjra, de emigratie van Mohammed en zijn volgelingen van Mekka naar Medina die in 622 plaatsvond enhet begin van de islamitische jaartelling vormt.

In deze kronieken figureren veel vrouwen: bekende als Acha, de jongste weduwe van Mohammed die de mondelinge overlevering van de geschiedenis in stand houdt, Fatima, de enige dochter die hem (kort) overleefde en de Koptische Marya, maar ook naamloze slavinnen en mythische profetessen en legeraanvoersters. De kroniekschrijvers - “zeker zorgvuldige verslaggevers, maar door hun aard en uit gewoonte geneigd de vrouwelijke aanwezigheid naar de achtergrond te dringen” melden ruim twee eeuwen later in veel gevallen niet veel meer dan een enkel intrigerend feit of voorval over hen.

Djebar gaat er vanuit dat de rol van de vrouw in de allereerste beginperiode van de islam veel minder passief en ondergeschikt was dan zij later is geworden, toen “Medina, de plaats van de tijdelijke macht, zich meer en meer van het oorspronkelijke licht verwijderde”. Zij wil de islamitische vrouw haar oorspronkelijke islamitische 'erfdeel' teruggeven, dathaar kort na de dood van de profeet al afhandig is gemaakt door om de macht strijdende mannen.

Dit verloren erfdeel toont Djebar in ruim twintig portretten van mythische vrouwenfiguren, die zij tot leven wekt en een stem en gezicht geeft. Het koor van vrouwen verschijnt tegen de achtergrond van de machtsstrijd die na Mohammeds dood in Medina losbrandt, opstandige stammen die zich willen afscheiden, 'valse profeten' die opstaan, politieke intriges en bloedige veldslagen. Desondanks is het zekerniet een historische roman in de gewone zin van het woord. De stem van de twintigste-eeuwse vertelster klinkt voortdurend door. Ook zij is weer de kroniekschrijfster die haar bronnen meldt, hypotheses opstelt en commentaar levert op wat die door haar zelf opgeroepen vrouwenstemmen uit een ver en schimmig verleden te melden hebben. En als ooit de historische lijn van Acha, de lijn van de 'overleverende' vrouwen - waartoe Djebar zichzelf rekent - zal samenkomen met d verdonkeremaande lijn van Fatima, de lijn van de vitaliteit en opstandigheid, zal de islamitische vrouw dan eindelijk besluiten 'Medina' te verlaten?

Hoewel voor een lezer die met de vroegste islamitische geschiedenis en de ingewikkelde familierelaties binnen de kring van Mohammeds eerste aanhangers niet vertrouwd is, de veelheid van feiten en figuren aanvankelijk nogal verwarrend dreigt te worden, heeft Djebar haar gecompliceerde epos zo streng gestructureed (en van een namenregister voorzien), dat dit gevaar grotendeels ondervangen wordt.

SLAAPKAMER

In De Schaduwkoningin is het verhaal aanzienlijk eenvoudiger, maar de presentatie zeker niet minder complex. We ontmoeten twee eigentijdse vrouwen, Isma en Hajila, wier enige verbinding het feit is dat zij getrouwd zijn met dezelfde man of met 'de Man - om iets van het Arabische dialect te laten doorklinken zoals dat in de slaap(H)kamer gefluisterd wordt' - zoals de geemancipeerde Isma zegt. Zij heeft haar man verlaten maar, als de sultane in de harem, haar vrijheid gekocht door een tweede echtgenote voor hem en een nieuwe moeder voor haar kinderen te regelen. Door haar ogen zien we hoe de tweede vrouw Hajila, aanvankelijk gedwee en passief, zich ondanks het verzet van haar man en haar moeder meer en meer vrijmaakt, haar sluier aflegt en het huis uitgaat. Isma intussen wordt overspoeld door een vloed van beelden uit haar jeugd en genante lyrische herinneringen aan haar seksuele geuk met de Man. De een verlangt steeds sterker vanuit de duisternis naar het bevrijdende licht, de ander vanuit het licht naar de geborgenheid van het beschermende duister.

Zo versmelten ze als het ware tot twee zijden van een vrouw, een vrouw met verlangens die vrijwel niet te verenigen zijn.

Want al is de entourage van deze pendantportretten islamitisch, de problematiek geldt in laatste instantie voor veel moderne vrouwen: hoe valt het verlangen naar veilige geborgenheid en afhankelijkheid dat zij vaak bij zichzelf vaststellen - het verleden? - te combineren met het hunkeren naar vrijheid en zelfstandigheid - het heden? Isma, de zelfbewuste, besluit de weg terug te zoeken naar dit verleden, waar de sleutel te vinden moet zijn van de angst 'die van generatie op generatie wordt doorgegeven' door de moeders die nu als 'bewakers van de harem' moeten functioneren door hun eigen angst voor vrijheid.

Isma vertelt haar relaas in fragmenten die afwisselend koele registratie en virtuoos wervelende woordfonteinen zijn, maar in beide gevallen indruk maken door de kracht van de beelden.

Dat is heel letterlijk bedoeld: we zien hoe Hajila voor het eerst haar sluier en overkleed op straat uitdoet, we zien het licht en de schaduw in het bochtige straatje dat ze voor het eerst 'naakt' en dronken van opwinding afloopt, en het zijn beelden die lang in de herinnering blijven hangen. Niet vreemd hieraan zal zijn, dat Assia Djebar niet alleen als schrijver, maar ook als cineaste werkzaam is. Bekendheid op dat terrein heeft ze onder meer gekregen met La Nouba des Femmes de Mont Chenoua, een film die in 1979 in Venetie de prijs van de kritiek verwierf.

Zonder dogmatisme stelt Assia Djebar haar creatieve vermogen in dienst van het doel dat haar het meest ter harte gaat: dat de vrouw in de islamitische wereld zich bewust wordt van haar situatie en haar eigen lot in handen neemt, met alle onzekerheid en angst van dien.