Aanval op verbod tabaksreclame

DEN HAAG, 14 JUNI. De uitlatingen van staatssecretaris Van Rooy (economische zaken) gisteren over een Europees verbod op tabaksreclame zal niet iedere reclame-adviseur en adverteerder helemaal hebben gerustgesld. Weliswaar toonde de bewindsvrouw zich op een seminar van de Stuurgroep Reclame een onverholen tegenstander van zo'n reclameverbod - omdat niet bewezen is dat dit tot minder rokers leidt en een gevaarlijk precedent zou scheppen - maar ze heeft het niet alleen voor het zeggen in Europa. En het voorontwerp van de Europese Commissie voor een richtlijn voor tabaksreclame is gegrond op artikel 100A van het EG-verdrag. Anders dan bij artikel 100, dat voor besluiten eenstemmigheid vereist, is bij 100A slechts een gekwalificeerde meerderheid van stemmen nodig. Binnen de EG bestaat over de tabaksreclame een duidelijke tegenstelling tussen Noord en Zuid.

De zuidelijke lidstaten hebben een andere cultuur met betrekking tot de wetgeving, aldus inleider mr. S.A. Kuipers.

“Terwijl wij proberen te dereguleren, heeft men daar de overtuiging dat alleen overheidsingrijpen helpt.”

Kuipers wees erop dat de tabaksmonopolies zich niet toevallig in landen als Spanje, Portugal, Italie en Franrijk bevinden.

Hij noemde het 'opvallend' dat juist die landen al een nationaal reclameverbod hebben afgekondigd en nu dus ook voor een totaal verbod zijn. Daardoor zou een belangrijk overgebleven instrument om nog enig marktaandeel in die vier landen te halen uit handen van de andere industrielanden worden geslagen.

De kans dat straks alle vormen van directe en 'indirecte' tabaksreclame en 'sponsoring' door de EG verboden worden is, met de verdeelde opvattingen hierover, alleszins aanwezig.

Reclame zou dan alleen nog toegestaan zijn in sigarettenwinkels. En dat terwijl de EG tegelijkertijd de tabaksproduktie met vele miljarden subsidieert.

Prof.mr. B.H. ter Kuile, auteur van het aan de staatsecretaris aangeboden rapport 'Europese reclameregulering? Zorgvuldigheid geboden!', zei gisteren op juridische gronden te betwijfelen of artikel 100 niet eerder dan 100A in aanmerking zou moet komen bij een totaal verbod op tabaksrclame. Als een richtlijn tot beperking van reclame het grondrecht van communicatie, van informatie en vrije meningsuiting aantast, zou “eenparigheid van stemmen” kunnen worden verlangd, aldus Ter Kuile.

Een seminardeelnemer bleek gisteren een panacee voor “bijna” alle problemen te hebben. Willem D. Okkerse van het Zwitserse consultants-verband ITLC-Associates probeerde in de wandelgangen de scriptie aan de man te brengen waarop hij kort geleden in Utrecht de titel Master of Business Adminisration verwierf. Volgens Okkerse zit de sigarettenindustrie aan het einde van haar levenscyclus. Het aantal rokers in Nederland is in twintig jaar bijna gehalveerd. Er zal slechts een kleine harde kern van rokers overblijven. De strategie van de fabrikanten is overleven op een dalende markt door marktaandeel op de concurrentie te veroveren. Maar er is ook sprake van intern kannibalisme. De fabrikanten kunnen de omzet in hun best verkochte merk alleen opvoeren ten koste van hun andere merken. Rynolds en Philip Morris hebben volgens Okkerse marktstrategisch de beste conclusie getrokken: zij zetten al hun kaarten (lees: reclamebestedingen) op Camel respectievelijk Marlboro.

Okkerse pleit in zijn scriptie voor het tegengaan van verspilling, bijvoorbeeld door reclame geheel te concentreren op 10.000 speciale tabakswinkels. Daardoor zou volgens hem de tabaksindustrie haar rendement op het genvesteerde kapitaal kunnen verhogen van 2,4 naar ruim 10,5 procent. De overhid zou verkoop buiten de 10.000 verkooppunten geheel moeten verbieden. Benzinestations, supermarkten en dergelijke verdienen volgens hem toch niets aan de sigarettenverkoop.

Zijn door sommigen als 'stalinistisch' betitelde model behelst verder onder andere nog een voorgeschreven verkoopprijs van (f) 4,50 per pakje, een BTW-tarief van nul procent, accijnsverhoging en verplichte aansluiting van detaillisten en grossiers op een computercentrale. De enigen die in zijn voorstl buiten de boot vallen zijn de 'gedrukte media'.

Typisch geval van jammer, vindt hij.