Zelf schooltje spelen

In naam van de verbetering van de kansen op school worden ouders gestimuleerd meer met hun kinderen te lezen of te rekenen. De Amsterdamse pedagoog Spiecker waarschuwt tegen branche-vervaging tussen onderwijzers en opvoeders.

In het NOS-journaal van vorige week donderdag gebeurde het weer. Een hulpverleenster verscheen in beeld. Ze legde een allochtone moeder uit hoe ze haar kind met tekeningen, puzzels, spelletjes en boekjes de kennis en houding kon bijbrengen die de peuter nodig zou hebben om op school te slagen. De moeder knikte begrijpend.

Schooltje spelen in huis is al geruime tijd een trend. Nadat de onderwijssociologieteeds meer de nadruk ging leggen op het gezin als veroorzaker van ongelijkheid van onderwijskansen zijn de hulpverleners de huiskamers binnengetrokken. Als ouders meer met hun kinderen lezen of rekenen, beginnen deze peuters beter voorbereid aan school, zo luidde de gedachte.

Al in de jaren zeventig gingen medewerkers van het Rotterdamse project Onderwijs en Sociaal Milieu (OSM) bij moeders van 'arbeidersgezinnen'

op huisbezoek. Later verschoof de aandacht naae allochtone ouders. Het zogeheten Opstap-project waarover het Journaal vorige week berichtte omdat minister d'Ancona (WVC) er extra geld voor had uitgetrokken, is daar een voorbeeld van.

Kwam er steeds meer aandacht voor onderwijs in de opvoeding, omgekeerd gebeurde hetzelfde. Op een onderwijscongres van de PvdA vorig jaar november riep minister Ritzen op tot een debat over de opvoedende rol van de school. Behalve kennis overdragen zou de school hernieuwde aandacht moeten krijgen voor ''de overdracht van normen en waarden''.(Waarom dit debat nu gevoerd moest gaan worden, en over welke normen en waarden het bij Ritzen ging was onduidelijk.

Sociologische processen zoals ''het wegvallen van traditionele kaders zoals het gezin'' waaraan Ritzen ter verklaring refereerde, zijn al veel langer aan de gang. Ook bleef vaag of het de minister nu vooral te doen was om waarden als een rechtvaardiger verdeling van goederen in de wereld of milieu-bewustzijn, of meer om de handhaving van de Algemene Politie Verordeni op school: niet stelen, niet mishandelen, en een ordelijk samenzijn op school mogelijk maken.

De minister hield voorlopig echter vol. Twee weken geleden deed hij voor de jubilerende Nederlandse Katholieke Schoolraad een zelfde soort oproep. En vorige week nodigde hij drie theoretisch-pedagogen uit om in een besloten bijeenkomst met enkele ambtenaren en deskundigen uit de 'onderwijsprovincie' de discussie alvast te beginnen.

BRANCHE-VERVAGING

en van de genodigden, prof.dr. B. Spiecker van de Vrije Universiteit in Amsterdam, greep de bijeenkomst aan om te wijzen op het gevaar van branche-vervaging tussen onderwijs en opvoeding. Wie deze twee niet goed uit elkaar houdt, legt een te zware last op de schouders van leraren en kinderen, zo waarschuwde de wijsgerig pedagoog.

''Onderwijs is een deel van de opvoeding, maar onderwijs en opvoeding zijn twee verschillende dingen,'' licht Spiecker toe in zijn werkkamer. ''Een goede leraar draagt niet alleen kenniover maar probeert ook gemeenschapszin te kweken. Toch staat bij hem kennisoverdracht en het scherpen van de kritische vermogens van de leerling voorop. De ouder probeert het kind echter in de opvoeding ook nog te vormen tot een iemand die kan deelnemen en bijdragen aan het goede leven van persoonlijke relaties, arbeid, kunst of religie.''

Dit laatste komt in gevaar, vreest Spiecker, wanneer in naam van de verbetering van ondijskansen, elke keer na het avondeten de leesboekjes tevoorschijn komen. ''De ontwikkeling van een kleuter wordt dan versmald tot kennisverwerving,'' aldus Spiecker. ''Laatst zei Paul Tesser (een Nijmeegse onderzoeker die veel onderzoek heeft gedaan naar onderwijsachterstanden, red.) in een interview dat kinderen al op hun tweede jaar didactisch opgevangen moeten worden.

Waar ben je dan mee bezig?'' Een andere reden waarom Spiecker zijtwijfels heeft over een aanpak zoals destijds bij OSM is het geringe resultaat. ''Ook bij soortgelijke Amerikaanse programma's zoals Headstart is succes uitgebleven,'' meldt Spiecker.

Een belangrijke verklaring daarvoor is volgens de Amsterdamse hoogleraar dat de hulpverleners voorbijgingen aan belangrijke pedagogische condities die volgens wetenschappelijk onderzoek een kind nodig heeft om in een leerproces mee te komen. Het betreft hier eigenschappen die in de opvoeding worden 'bijgebracht', maar nauwelijks kunneworden 'onderwezen', aldus Spiecker. Hij noemt daarbij dingen als leren luisteren, zelfcontrole, en uitstel van behoeftenbevrediging. ''Wie van zijn kind thuis een prinsje maakt, kweekt op school een probleemgeval.''

''Dat zal velen van ons nog steeds erg repressief in de oren klinken,'' glimlacht Spiecker. ''Veel ouders en leerkrachten zijn nu eenmaal nogal vatbaar voor romantische en idealistische opvattingen over de aard van het kind en zijn ontwikkeling. Zulke termen worden al snel opgevat als een vorm van indoctratie. Maar je hebt op school nu eenmaal een flinke Ausdauer nodig om te slagen, zeker in een tijd waarin de eisen die aan kinderen worden gesteld veel hoger zijn geworden. Je kunt dan de eigenschappen niet negeren die nodig zijn om hier te slagen zoals bijvoorbeeld een minimale vorm van zelfvertrouwen.''

Wie aan deze pedagogische condities aandacht wil besteden begeeft zich in de diepste spelonken van het gezinsleven, geeft Spiecker toe. De weg daarheen is nauwijks begaanbaar door de vele taboes die in het publieke debat over onderwijs en opvoeding maar liever worden vermeden. De Amsterdamse hoogleraar moet nog de eerste minister van onderwijs tegenkomen die luid en duidelijk zijn stem verheft tegen bepaalde opvoedingspraktijken thuis zoals zware lijfstraffen, omdat ze het zelfvertrouwen van het kind ondermijnen.

''Toch zou een minister van onderwijs dat wel moeten doen,'' zegt Spiecker. ''Nu pren we over vergroting van kansen in het onderwijs en krijgen daar een warm gevoel bij. Maar consequent zijn we niet. We willen niet spreken over de voorwaarden die daarvoor in de opvoeding nodig zijn. We beschouwen het gezin als heilig en vervallen al heel snel in een vorm van waardenrelativisme door te zeggen dat in de opvoeding veel moet kunnen.''

NIKS MORALISTISCH

Het gevolg van de taboe's rond het gezin is dat aller ogen toch weer op de school zijn gericht, concludeert Spiecker spijtig. Hij ndt het weliswaar ''sympathiek'' dat minister Ritzen zijn ''nek heeft durven uitsteken door de aandacht te vestigen op de pedagogische opdracht van de school.'' Spiecker is het namelijk best met de minister eens dat leraren een bijdrage leveren aan de pedagogische ontwikkeling van het kind. ''Er is niks moralistisch aan om er iets van te zeggen als kinderen hun schoolboeken zomaar in een plastic tasje kwakken.

Boudewijn Buch zou het ook vreselijk vinden. Lerarenopleidingen zouden stematischer aandacht aan de schoolopvoeding moeten besteden.''

Tegelijkertijd laat Spiecker er geen misverstand over bestaan dat de minister de leraar overvraagt als Ritzen ervan uitgaat dat de school de pedagogische taak van het gezin overneemt. ''De leraar kan de taken van het gezin slechts in beperkte mate compenseren, nog los van alle directieven die hij uit Zoetermeer krijgt.''Bovendien generaliseert Ritzen teveel naar de zin van Spiecker door te spreken over de overdracht van normen en waarden door de school. ''De onderwijzer in de eerste jaren van de basisschool heeft heel andere mogelijkheden dan zijn collega in de bovenbouw, om nog maar te zwijgen van die in het voortgezet onderwijs. Abstracte waarden als een rechtvaardiger verdeling van goederen in de wereld zijn prachtige topics voor VWO-5, maar daar moet je bij kleuters niet mee aankomen. Over die verschillende accenten - vorming van gewoontes of discussies over abstracties - is helemaal niet nagedacht.''

Tenslotte denkt Spiecker dat met name op de basisschool de laatste jaren de mogelijkheden niet bepaald zijn gegroeid om de warme pedagogische aandacht te geven die Ritzen verwacht. ''De kleuterleidsters bestaan niet meer. Ze zijn ingepast in het basisonderwijs nadat ze jarenlang te horen haden gekregen dat ze maar wat aan het doen waren. Maar ik kan me voorstellen dat juist zij alert waren het leren luisteren van kinderen, en het bijbrengen van de gemeenschapszin waar de minister het over had. Is daar nu op school nog ruimte voor?''