Wet gelijke behandeling zelf discriminatie

Deze week ronden de Tweede Kamerfracties hun schriftelijk commentaar op het wetsvoorstel Algemene Wet Gelijke Behandeling af. Het lijkt erop dat de wet er moet komen, alleen omdt hij nu eenmaal al zolang een probleem vormt. De discussie heeft zich steeds voornamelijk toegespitst op de problemen die christelijke scholen hebben met het in dienst nemen van homoseksuele leerkrachten. Er is echter een fundamentelere kritiek mogelijk. Is hier wel sprake van een anti-discriminatiewet of is deze wet eigenlijk zelf een subtiele vorm van discriminatie.

De regering isals een horeca-exploitant die zijn club 'blank' wil houden maar van de rechter te horen krijgt dat het verboden is gekleurde klanten de toegang te weigeren. De horeca-exploitant voelt zich nu gedwongen bij de ingang witte en gekleurde klanten gelijk te behandelen. Maar inmiddels wordt binnen andere muziek gedraaid, vertoont het personeel op schijnbaar willekeurige momenten een opmerkelijke traagheid en is hier en daar een grap te horen over mensen die alleen met een vonnis in de hand een leuk avondje uit kunnen heben.

Minister-president Lubbers zei op 3 september 1990 in een toespraak aan de katholieke universiteit Nijmegen: “Geen discriminatie (...) zo hebben wij geleerd; zo zijn wij het internationaal overeengekomen en daaraan (...) worden wij nu ook gehouden; moeten wij ons ook houden”.

Ook in deze woorden overheerst de dwang en ontbreekt de overtuiging. Dezelfde sfeer ademt het wetsvoorstel Algemene Wet Gelijke Behandeling dat op dit moment bij de TweedKamer ligt. Blijkens de Memorie van Toelichting pretendeert de wetgever “bescherming te bieden tegen aantasting van de menselijke waardigheid”. Het voorstel “bevat een uitwerking van het verbod van discriminatie” - zoals in Artikel 1 van de Grondwet neergelegd - en “beoogt op een aantal terreinen, die voor de mogelijkheden van de individu om deel te nemen aan het maatschappelijk leven van groot belang zijn, die deelneming te bevorderen, althans de belemmerin)gen (gelegen in discriminatoir handelen) weg te nemen”.

Na dit veelbelovende begin blijkt de uitwerking de zoveelste illustratie van de hedendaagse wetgevingscultuur. Enerzijds wordt van het recht verwacht dat het als normendrager functioneert en dat de wetgever goed en kwaad codificeert, anderzijds verliezen juridische begrippen hun betekenis. De verstening en de verzakelijking - zoals juriste Clara Wichmann het begin deze eeuw al noemde - maken het begrip 'discriminatie' betekenisloos. Het is in het wetsvoorstel verworden tot een volstrekeutraal en geeconomiseerd begrip.

Ooit was discriminatie een 'malum in se', een kwaad in zichzelf en niet een kwaad omdat het bij wet was verboden, een begrip dus met een negatieve lading. In het wetsvoorstel is het teruggebracht tot een 'ongelijke behandeling' die iedereen kan overkomen of men nu wit is of zwart, man of vrouw, homo of hetero. De wet formuleert de discriminatiegronden neutraal: ras, sekse, homo- en heteroseksuele erichtheid. Maar heteroseksuele mannen worden in ons land niet gediscrimineerd. Toch kunnen zij zich straks op deze wet beroepen wanneer zij zich 'als man' of als 'hetero' ongelijk behandeld achten.

Nu reeds claimen en krijgen weduwnaars als slachtoffer van sekse-discriminatie een weduwenpensioen. Immers, er wordt niet meer gekeken of zij tot een te beschermen of te versterken sociale, culturele of politieke groep behoren. Gelijke behandeling is een norm in zichzelf geworden. Aldus is de angel uit de anti-discriminatiewetgeving es het wetsvoorstel aanvaardbaar voor de groepen die hun culturele dominantie niet uit handen willen geven.

Naast deze reductie van discriminatie tot ongelijke behandeling is de bescherming van de 'menselijke waardigheid' teruggebracht tot gelijke behandeling op de arbeidsmarkt. Wel het ongelijk aanbieden van arbeid en goederen, maar niet het kwetsen, het vernederen en de willekeur die aan discriminatie eigen zijn, worden door het wetsvoorstel bestren.

Voeg daaraan toe dat de wet geen maatregelen ter bevordering van gelijkheid biedt, vrijwel niet in sancties voorziet, met zoveel woorden voorafgaande discriminerende wetten buiten schot laat, alleen onderscheid wegens het 'enkele feit' van bijvoorbeeld homoseksuele gerichtheid verbiedt - wat de deur wagenwijd openzet voor onderscheid wegens gedrag of uiterlijk - en geen bescherming tegen victimisatie biedt - represailles tegen mensen die een beroep op det doen - en wat overblijft, is een krachteloze wet.

Dit wetsvoorstel verleent lippendienst aan de dominante cultuur en zou een discriminerende wet kunnen worden genoemd. Aan de achtergestelde groepen biedt het voorstel niet meer dan aan de dominante groepen en een dergelijke wet bevestigt slechts de bestaande machtsverhoudingen.

De kracht van de dominante cultuur is dat men niet met boze opzet discrimineert, integendeel, non-discriminatie is een alom omhelsd beginsel. Men gelooft oprecht dat menin gelooft (alweer woorden van Clara Wichmann) en juist daarom is discriminatie zo moeilijk te bestrijden.