Vrijhandel

Voor wie gelooft in de zegeningen van een vrije wereldhandel is de benoeming van Edith Cresson tot premier van Frankrijk geen reden om feest te vieren. Door allerlei invoerbeperkingen zijn Japanse produkten in Frankrijk al heel lang een zeldzaam verschijnsel. En mevrouw Cresson zal haar uiterste best doen dat zo te houden.

Ook in de rest van de wereld loopt het streven naar een onbelemmerde handel gevaar. In 1947 werd de GATT (General Agreement on Tariffs and Trade) gesloten met de bedoeling in de hele wereld de handelsbelemmeringen op te ruimen. Dat is dertig jaar lang goed gelukt en de wereldhandel expandeerde en floreerde.

De politiek en economisch machtige Verenigde Staten waren steeds de drijvende kracht achter nieuwe rondes van tariefsverlagingen. Totdat eind jaren zeventig de fut eruit was. De manier waarop Japan onder het GATT-regiem de Amerikaanse elektronica-industrie oprolde, riep in de VS grote weerstanden op.

Niet alleen de sterke opkomst van Japan maar ook die van de Vier Tijgers (Singapore, Taiwan, Zuid-Korea, Hong Kong) zat de Amerikaanse producenten lelijk dwars. Ze vroegen om bescherming van de eigen markt. De klad kwam in de GATT. Het zonder meer heffen van invoerrechten aan de grens is zo duidelijk in strijd met de GATT, dat naar andere wegen werd gezocht.

De laatste tien jaar is het internationale handelsjargon dan ook opgesierd met allerlei op zichzelf onschuldig klinkende afkortingen.

Wat zou er mis kunnen zijn met een Voluntary Export Restraint (VER), een vrijwillige exportbeperking? En klinkt een Orderly Marketing Arrangement (OMA) niet juist erg ordelijk? Helaas is de vrijwilligheid meestal ver te zoeken en komen dergelijke regelingen tot stand door meer of minder subtiel met tegenmaatregelen te dreigen. Behalve de VER's en de OMA's zijn er nog andere vormen van non-tarifaire protectie: het stellen van buitensporige kwaliteitseisen, het organiseren van ingewikkelde administratieve procedures bij de inklaring.

De schadelijke gevolgen van deze protectie voor het volume van de wereldhandel vallen overigens nogal mee. De VER's blijken poreus. En dat komt vooral omdat het vernuft van exporteurs minstens zo groot is als dat van de lieden die de beschermende maatregelen zitten te bedenken. Valt bij voorbeeld de uitvoer van A naar B onder zo'n beperking, dan levert men van A naar C en van C naar B. Wordt de uitvoer van jassen naar land X beperkt, dan maakt men er een ander produkt van door de mouwen eraf te halen en deze apart te verzenden.

De grote vraag is in dit verband of een vrije wereldhandel wel zo goed is voor de wereld als de klassieke leerstukken zeggen. Moeten we ons met huid en haar door Japan en de Tijgers laten opvreten? Of moeten we onze industrie en onze werkgelegenheid beschermen? Niet alleen in de VS en in Frankrijk worden deze vragen gesteld. Ook in Nederland, waar veel Japanse bedrijven zich gestimuleerd door allerlei faciliteiten vestigen, bestaan grote twijfels.

Elke econoom kan je op de achterkant van een enveloppe uitleggen dat landen voordeel hebben bij een vrije handel. Als elk land zich specialiseert in de produktie van die goederen waarin het een relatieve voorsprong heeft, zal per saldo het handelsvolume groter zijn dan wanneer elk land probeert zichzelf te bedruipen. En ook omgekeerd redenerend, kan die econoom laten zien dat een land door het heffen van een invoerrecht z'n economie per saldo schade toebrengt.

Maar voorstanders van protectie leggen zich daarbij niet neer. Een van de veronderstellingen waarop de vrijhandelstheorie rust, is het bestaan van volkomen concurrentie. Dit wil zeggen dat er op de markten geen machtsposities bestaan van producenten of afnemers, die de prijs zelf kunnen manipuleren. Een belangrijke vraag is nu of de geschetste voordelen van vrijhandel ook nog bestaan als er wel van die machtsposities bestaan. Met andere woorden: als er op een markt een beperkt aantal aanbieders optreedt, dat zelf de prijs kan vaststellen.

Het is bekend dat monopolistische aanbieders erin slagen voor zichzelf een extra winst te realiseren. Voorstanders van protectie verdedigen nu het ingrijpen in de vrije handel met het argument dat op die manier de overheid die extra winst naar zich toe kan halen.

Het standaardvoorbeeld is de vliegtuigindustrie. Stel dat de VS-overheid aan Boeing een subsidie verstrekt, die het Europese Airbus van produktie doet afzien. Amerika krijgt op die manier een monopolie voor dit type vliegtuig. Een tweede voorbeeld is de chipsindustrie.

Japan sluit zijn markt voor Amerikaanse chips; Japan breidt zijn produktie uit; verlaagt de kosten per eenheid en veegt Amerika van de markt. Geslaagde voorbeelden van overheidsinterventie, zou je zeggen.

Voorstanders van vrijhandel zijn het daar niet mee eens. Ten eerste mag worden aangenomen dat de partij die zich benadeeld ziet, tegenmaatregelen zal nemen. Europa zal het niet op zich laten zitten dat de VS Boeing subsidie geven; het zal Airbus gaan subsidieren.

Daarop volgen weer reacties, met als resultaat dat het handelsvolume krimpt. Ten tweede hebben overheden niet genoeg informatie om doeltreffend te kunnen ingrijpen. Ze beschikken niet over voldoende gedetailleerde kosten- en opbrengstenberekeningen; een kleine misrekening kan mogelijke winst doen omslaan in verlies.

In een aantal praktijkstudies is men nagegaan wat het effect van vrijhandel is op het nationaal inkomen als er onvolkomen concurrentie is in plaats van volkomen concurrentie. De verrassende uitkomst: de voordelen van vrijhandel blijken in dat geval nog sterker naar voren te komen.

Blijkbaar niet onder de indruk van deze bevindingen blijven protectionisten hun vaak kortzichtige deelbelangen luidkeels verdedigen. En het is dan ook niet ondenkbaar dat de zich voortslepende Uruguay-ronde van de GATT in de komende maanden struikelt over het protectionistische Europese landbouwbeleid. In de duistere en onzekere toekomst van de GATT glinstert een lichtpuntje: de directeur van deze organisatie heeft onlangs een van de meest prominente voorvechters van een vrije wereldhandel tot zijn top-adviseur benoemd. Laten we hopen dat professor Jagdish Bhagwati nog net op tijd is.