VNO klaagt in Brussel over protectionisme, hekelt steun Thomson

BRUSSEL, 13 JUNI. Het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) is “zeer ongelukkig” met de recente voorbeelden van toenemend protectionisme binnen de EG, vol met het feit dat de Europese Commissie de Franse regering heeft toegestaan om 4 miljard franc steun te geven aan de HDTV-activiteiten van het Franse staatsconcern Thomson.

“Dat is moeilijk te verwerken en het kan weer leiden tot allerlei mis-allocaties. We staan op het moment van de waarheid: wordt de EG echt open of wordt het toch het gevreesde fort Europa? Het VNO is daar tegen. Wij zijn voor multilaterale liberalisering in het kader vde GATT. Interventie heeft alleen maar een innovatie-remmend effect.

Keuzes moeten op de markt zelf tot stand komen.'' Dat zei VNO-voorzitter A. Rinnooy Kan gisteren bij de opening van het nieuwe kantoor van de Nederlandse werkgeversorganisatie in Brussel.

Samen met de Britse en Duitse werkgeversorganisaties zal het VNO zich sterk maken om protectionistische maatregelen tegen te gaan.

Het afronden van de onderhandelingen in de GATT, de algemene overeenkomst inzake handel en tarieven, is volgens de VNO-voorzitter de belangrijkste taak die tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Gemeenschap moet worden vervuld.

Rinnooy Kan vindt dat Nederland garant moet staan dat de gebeurtenissen van december vorig jaar, toen de GATT-onderhandelingen stukliepen op de onmacht van de EG zich niet herhalen. Volgens de VNO-voorzitter heeft het toen ontbroken aan “politieke sturing”.

Eind deze maand zal het VNO dan ook bij het kabinet aandringen op een “krachtig initiatief” in de komende zes maanden om de zogenoemde Uruguay-ronde te laten lukken.

Nederland kan daar volgens Rinnooy Kan als voorzitter “in principe heel veel aan bijdragen”. Het is voor Nederland van “ongelofelijk belang” dat dat wordt geregeld, zei Rinnooy Kan. Het bedrijfsleven “staat er breed achter”.

Het VNO heeft een 'lobby'-bureau in Brussel opgericht om dichter in de buurt te zijn van de “grote en belangrijke ontwikkelingen” die in de Europese Gemeenschap aan de gang zijn, vooral het programma voor de de totstandkoming van de grote Europese binnenmarkt vanaf 1993 waarvan volgens de VNO-voorzitter “een krachtige impuls” zal uitgaan.

Rinnooy Kan zei een voorstander te zijn van het “subsidiariteitsprincipe”, het beginsel dat bepaalt dat beslissingen op een zo laag mogelijk niveau genomen worden. “Er is geen behoefte aan teveel regelgeving van bovenaf. En als die al nodig is, dan heeft het VNO een voorkeur voor nationale boven communautaire.”. Wel moet er voldoende ruimte zijn voor consultatieprocedures, “zodat de markt aan het woord kan komen”, meent de VNO-voorzitter.

Rinnooy Kan toonde zich niet gelukkig met het streven om te komen tot centralisering van sociaal beleid: een 'Europese CAO' bij voorbeeld of een 'Europese ondernemingsraad'. “Sociaal beleid moet geen hoofddoelstelling zijn van de EG”, vindt Rinnooy Kan, “het moet flankerend beleid zijn. Gerespecteerd moet worden dat de lidstaten zelf zeggenschap en tradities op dat gebied hebben.” De VNO-voorzitter nam dan ook afstand van de recente nota van minister De Vries (sociale zaken) waarin wordt gepleit voor het in de EG-context plaatsen van sociaal beleid.

Rinnooy Kan zei niets te zien in algemeen bindende verklaringen over sociaal beleid, zoals Commissaris Vasso Papandreou voorstaat. Een “algemeen committment” is het enige waartoe hij bereid is en dat mag niet doorkruist worden door regelgeving. “Dat zou ook dwaas zijn, juist nu we op de toer zitten van decentralisering.”

Ook voor de 'Europese OR' ziet Rinnooy Kan weinig aanleiding. Gegeven de grote onderlinge verschillen in de lidstaten zou die “weinig effectief” zijn. “Het centralistisch model bevat geen enkele toegevoegde waarde, dat wordt alleen maar een nachtmerrie.”