STERK DEBUUT VAN JONGE NEWYORKSE FILMMAKER HAL HARTLEY; Het geheim van de automonteur

The Unbelievable Truth. Regie: Hal Hartley. Met: Adrienne Shelly, Robert Burke, Christopher Cooke. In: Amsterdam, Desmet; Utrecht, 't Hoogt; Nijmegen, De Marienburg.

Met zijn voor $ 200.000 gemaakte debuutfilm The Unbelievable Truth leverde de jonge New Yorkse fimmaker Hal Hartley in 1989 een schitterend visitaartje af. Toch bleef de film vrijwel onopgemerkt op de grote internationale festivals, met inbegrip van Rotterdam. Dank zij het alerte beleid van filmhuisdistributeur Cinemien, die steeds net de interessante kruimels weet te vinden, kan het Nederlandse publiek toch kennis maken met Hartley.

Een in het zwart geklede jongeman (Robert Burke, wiens onbestemde uiterlijk het midden houdt tussen dat van James Woods en James Spader uit sex, lies en videotape) lift naar zijn geboorteplaats op Long Island. “Ben je een priester?”, vraagt de automobilist die hem meeneemt. “Nee, een automonteur”, luidt het antwoord, en deze dialoog zal nog vele malen in de film herhaald worden. “Waar kom je vandaan?”, luidt de volgende vraag. Als Burke antwoordt dat hij uit de gevangenis komt, stopt de auto, het portier gaat open, en na zijn tas wordt ook de lifter er uit gegooid. Het personage van Burke is celibatair en heeft dezelfde lourende werking op zijn omgeving als de Christusfiguur in Pasolini's Teorema. Bovendien kan hij zich niet beter voordoen dan hij is, net als zijn held George Washington. Die bewondering deelt hij met een al even eerlijke 17-jarige nihiliste (Adrienne Shelly, een dubbelgangster van Rosanna Arquette), die in voortdurende onmin leeft met haar vader, een garagehouder luisterend naar de naam Victor Hugo. Ze weigert op zijn 'deals' in te gaan, die steeds een materieleergoeding bieden als ze zich conformeert. Volgens Hartley gaat The Unbelievable Truth over 'the mechanics of emotional capitalism'. Dat is aardig gevonden omdat Burke, die behalve assistent van Shelly's vader ook haar platonische minnaar wordt, ook een 'mechanic' is.

Hartley speelt even hartstochtelijk als afstandelijk met taal, maar ook met kleuren, met gebaren, met montage en vooral met geluidseffecten. The Unbelievable Truth is een echte aeursfilm met een stijl, die in de verte aan van alles doet denken: aan Hartleys leermeester Aram Avakian (End of the Road), aan de moraliteit van Steven Soderbergh, aan de 'comedies et proverbes' van Eric Rohmer, maar vooral aan diens politieke, Amerikaanse tegenhanger Jon Jost (All the Vermeers in New York). De meest voor de hand liggende vergelijking is echter met Jean-Luc Godard, vooral de vlak geacteerde, kunstmatige en didactische parabels uit het midden van de jaren zestig. Ook de manier waarop ruziende mannen elkaar omver duwen, met twee ar voren gestrekte armen, herinnert aan de fysieke lichaamstaal van Godard.

Maar ondanks dat alles is de stijl van Hartley eigenlijk met niets te vergelijken. Van alle Amerikaanse onafhankelijke filmmakers die sinds Jim Jarmusch naar voren zijn gekomen, is Hartley de meest herkenbare en eigenzinnige auteur.

Toch kan nog een vergelijking niet onvermeld blijven: de kleinsteedse roddelcultuur van brave burgers die zelf veel te verbergen hebben, zoals David Lynch die tende in Blue Velvet en vooral de televisieserie Twin Peaks. Ook The Unbelievable Truth kent een mysterie, dat langzaam ontrafeld wordt. De een beweert dat Burke in de gevangenis zat omdat hij de zuster van dorpsgenote Pearl (Julia McNeal) en haar vader vermoord heeft, de ander meent te weten dat hij de laatste tot zelfmoord gedreven heeft. Steeds nieuwe versies van het drama, dat zich afspeelde toen Shelly nog een peuter in hetzelfde dorp was, worden geoppertotdat zich langzaam de waarheid aftekent. Het liefst heeft niemand wat te maken met een ex-crimineel, maar omdat er geld aan zo'n voortreffelijke automonteur te verdienen valt, wordt hij getolereerd. Zijn onschuld en streven naar het goede vormt het complement van Shelly's carriere als fotomodel, op instigatie van haar vader. Maar omdat beiden immuun blijken voor hypocrisie en achterklap, zijn ze de morele overwinnaars.

Niet alle draden in Hartley's ingenieuze scenario worden helemaal overtuigend afgewikkeld,t voor een zo schematische constructie teleurstellend genoemd moet worden. Maar de fraaie, klinische vormgeving en soms hilarische grapjes in de dialogen maken veel goed.

Wat Hartley onderscheidt van menige andere jonge Amerikaanse filmer is dat hij zich niet van zijn stuk laat brengen. Allerlei onvolkomenheden, die een laag budget met zich meebrengt, worden opgevangen door Hartley'sovertuigingskracht. De charme is niet zo zeer de handigheid of de flair van de regie (hoewel dniet onderschat mogen worden), maar de hardnekkige naviteit, die je ook onschuld mag noemen, van een regisseur die niet bang is om uit te glijden. Hartley weet immers dat hij, net als zijn personages en George Washington, uiteindelijk aan het langste eind zal trekken.