Kounellis kreeg geen echte kans

En zo beleefde Nederland een parlementair novum. Voor het eerst in haar lange geschiedenis stemde de Tweede Kamer eergisteren over een kunstwerk en met 70 tegen 61 stemmen verwierp zij het.

Hoe kon het zover komen? Aanvankelijk werd er toch zo tactisch gemanoevreerd. Er was geen prijsvraag uitgeschreven, met alle lastige discussies vandien, maar er zou worden afgegaan op het oordeel van een man van culturele reputatie: Rudi Fuchs. Verder leek de meningsvorming zich geheel in de boezem van het presidium van de Kamer en in de bouwbegeleidingscommissie af te spelen. De commissie zou het presidium adviseren, het presidium zou de minister ophoogte stellen en de Kamer zelf, zo verwachtte iedereen, zou zich met het kunstwerk niet bemoeien. Zo was het bij overige kunsttoepassingen in het nieuwe Kamergebouw ook gegaan.

Dat veranderde allemaal toen minister d'Ancona haar brief van 24 januari van dit jaar aan Deetman schreef. Het was een keurige brief, maar er stond een zinnetje in dat onschuldig klonk, ook zo bedoeld was, maar niettemin een enkel confessioneel Kamerlid op het hart trapte: 'Democratie is mensenwerk'. Vanaf dat moment was de belangstelling van de Kamerleden gewekt. Hoe zag dat 'monument voor de democratie' er eigenlijk uit? Op de kamer van een ambtenaar bleek een ruwe schets van het ontwerp te hangen en alle media reproduceerden Kounellis' resolute potloodlijnen.

Het beeld werd een kwestie en de voorstanders hadden het niet gemakkelijk. Voor scepsis en spot leek ruime aanleiding te bestaan en daar kon weinig anders tegenover worden gesteld dan de reputaties van de kunstenaar en de adviseur. Een onomkeerbaar proces waarin het kwere ontwerp het steeds moeilijker kreeg zette in. Toen ook de Hagenaars zich gingen roeren en de VVD (die eerst voor het beeld was) zich hun lot aantrok, was het pleit beslecht. Door hun motie tegen het beeld maakte de VVD het beeld definitief tot een Kamerkwestie en het aannemen van die motie was de onvermijdelijke volgende stap.

Het presidium en de Partij van de Arbeid beriepen zich op Thorbecke's adagium 'De regering is geen oordelaar van wetenschaen kunst' en wilden zich op grond daarvan in ieder geval niet tegen het kunstwerk uitspreken. Dat maakte weinig indruk. Terecht, want ten eerste maakt de Tweede Kamer geen onderdeel uit van de regering (zij controleert de regering), ten tweede ging het hier niet om het reguliere kunstbeleid, maar om een geschenk aan de volksvertegenwoordiging en ten derde had de minister zelf gevraagd of de Kamer haar geschenk wel wilde hebben.

De vorige keer dat Thorbecke uitgebreid in de Kamer werd geciteerd - in 1985, tijdenshet debat over de PC Hooftprijs - werd dat met goede reden gedaan: het ging toen om het oordeel van een lid van de regering (minister Brinkman die de schrijver Brandt Corstius de prijs niet wilde toekennen).

Keienlint Als de Kamer zich in meerderheid voor het beeld had verklaard, zou dat overigens weinig hebben geholpen. Het beeld kwam op Haagse bodem te staan en het gemeentebestuur moest daarvoor toestemming geven. Een louter formele kwestie, zo meende men aanelijk, maar de Hagenaars zelf dachten daar inmiddels anders over. Net zoals ze in 1979 het keienlint van Van Dillen en Petri hadden verhinderd en in 1983 het koepeltje van Van Eyck hadden tegengehouden, zo zouden ze ook met de plannen voor de 'roestende kolenkit' van Kounellis korte metten hebben gemaakt.

De vergelijking met die twee andere affaires (beide ontwerpen voor een nationaal monument voor koningin Wilhelmina, een affaire die zich vijfentwintig jaar laoortsleepte en in 1987 eindigde met de onthulling van een bronzen standbeeld) is overigens in meer opzichten instructief. In al deze gevallen is goed te zien hoe ver de artistieke voorkeur van deskundigen zich heeft verwijderd van de voorkeur van het grote publiek en het is die divergentie die ten grondslag ligt aan de afwijzende reacties. De uiteenlopende voorkeuren zijn een onvermijdelijk gevolg van een voortschrijdend autonomiseringsproces in de beeldende kunst. De kunst gaat zijn eigweg en de deskundigen kunnen weinig meer doen dan de ontwikkelingen zo goed mogelijk bij te houden.

De kloof is er altijd, maar zolang de artistieke selectie van de deskundigen alleen aan de binnenkant van de museummuren te bezichtigen valt is er weinig aan de hand. Wie wil, kan gaan kijken, wie niet wil blijft weg.

In de openbare ruimte is het echter een andere zaak. Daar gelden de regels van gelijkheid en pluriformiteit, zeker als het gaat om een beeld met monumentale aspiraties. Het is echter een van de typische kenmerken van die culturele democratie dat elk nieuw plan het uiterst moeilijk heeft. De meerderheid wil alles het liefst bij het oude houden en verlangt slechts naar een fontein, een parkje met banken en een goedgelijkend brons. Wie iets anders wil - en daar kunnen zeer goede redenen voor zijn - moet daar rekening mee houden. Culturele reputatie is een vereiste, maar het is niet genoeg. Bij het grootste deel van de bevolking legt cultureel gezag van zelfs de knapste museumdirecteur weinig gewicht in de schaal. In plaats daarvan wordt allergisch gereageerd op elk vermoeden dat er iets buiten hen om wordt geregeld.

Een professioneel opgezette voorlichting had daaraan misschien wat kunnen veranderen; een overtuigende campagne waarin het plan was toegelicht door mensen die erdoor gegrepen waren en die dat aan de hand van goede tekeningen, montagefoto's, animaties en de andere verworvenheden van de informatieindustrie hadden uitgelegd. Want wat men ook van het kunstwerk van Kounellis kan zeggen, niet dat zijn potloodschets een echte kans heeft gehad.

Voor de minister moet dat enige stof tot nadenken bieden. Gelegenheden om een belangrijk kunstwerk op te richten doen zich weliswaar niet zo vaak voor, maar als het ervan komt is het van belang op de medewerking van goede kunstenaars en adviseurs te kunnen rekenen. De kans dat zij daaraan met enthousiasme zullen meewerken is door de recente getenissen niet vergroot en dat is het belangrijkste verliespunt van deze affaire.