HERLEVENDE BURGERLIJKHEID

Mary McCarthy: The Group, Weidenfeld & Nicholson, 1963 Barbara Ehrenreich: Fear of Falling: The Inner Life of the Middle Cass, Pantheon, 1989

Het deftigste meisje uit mijn groentijd in de studentenvereniging liep in een vaal geworden regenjas, schoenen met kale neuzen en haar tas was nog net niet helemaal versleten. Alledrie van een duur merk en mooie snit, dat wel. Mijn zeventienjarige ogn werden er de eerste dagen van onze kennismaking door gefascineerd en ik begreep: ware deftigheid maalt niet om een nette indruk.

Later vond ik de bevestiging daarvan in The Group van Mary McCarthy, in haar beschrijving van het meisje Pokey Prothero, student aan Vassar College ''who was sitting sprawled out, across the table, putting ashes into her plate of melting ice-cream and soggy cake with the very bad table mannersthat only the very rich could afford.''

Pokey was niet alleen heel rijk, maar hoorde ook tot de Amerikaanse chic, want haar moeder was een Schuyler. Echte chic heeft wel gedragscodes, maar ze houden de elite niet in een ijzeren greep. Ware deftigheid kan zich de vrijheid veroorloven ongestraft een beetje proletarisch te doen.

Daarin ligt het verschil met de burgerlijke etiquette. Die kent die vrijheid niet. Wie erbij wil horen moet zich gedragen zoals het hoort.

Etiquette is al stelsel van geformaliseerde omgangsregels wel een van de smeerolien voor het sociale verkeer en zorgt voor een prettig soort wellevendheid, maar als het samengaat met burgerlijkheid leidt het maar al te vaak tot de benauwenis en benepenheid die het woord ook zijn negatieve bijbetekenis hebben bezorgd. Het voelt aan als het ophouden van een stand die men niet heeft, maar wel graag zou willen hebben.

Volgens de marxistische theorie was de burgerij geen aparte stand, geen lasse. Burgers zaten volgens deze theorie tussen de bezittende en proletarische klasse in en hadden noch het geld en de produktiemiddelen van de ene noch het kapitaal van de lichamelijke arbeid van de andere. In economisch opzicht dus tussen servet en tafellaken.

Dit idee bleek al snel geen weerspiegeling van de werkelijkheid te zijn. De sociologie heeft bij voorbeeld altijd een veel verfijndere indeling van de sociale stratificatie gehanteerd.

Maar in het denken binnen d sociale wetenschappen heeft 'het burgerlijke' altijd iets van die tussenpositie gehouden. Niet elitair en niet vulgair, maar wat dan wel? Met andere woorden: waar vond de klassieke burgerlijkheid haar identiteit? Een verklaring die wel wordt gegeven is dat zij, en dan vooral de lagere middenklasse, werd beheerst door angst voor verlies van inkomen en het daardoor wegzakken in het proletariaat. Om die angst te bezweren identificeerde men zich met de hogere stand. Maar uiteraardalleen met de uiterlijke kant daarvan. Het echte elitaire leven bleef buiten bereik.

Afzetten naar beneden, vereenzelvigen met boven. Het leidde tot krampachtig volgehouden keurigheid, nette armoe desnoods en in ieder geval tot je gedragen zoals het hoort.

Zulke theorieen houden geen rekening met individuele verschillen. Wat voor de groep, de stand, de klasse als geheel opgaat, kan daarbinnen een grote variatie laten zien. Er zullen ensen zijn geweest die zich vanaf hun jeugd naadloos konden voegen in dit leefpatroon en anderen die er onder leden. Een deel van de romanliteratuur is aan de laatsten te danken.

Maar er is misschien wel meer positiefs te melden, want identificatie naar boven betekende ook dat ouders hun kinderen ontzag voor de overheid bijbrachten, hun voorhielden hoe belangrijk het was op school je best te doen om later een goede betrekking te krijgen en ieder hield zijn stoep en straatje schoon. Zo'n type middenklasse betekende voor eesamenleving een stabiele factor, naast eventuele elitaire losbolligheid en proletarische machteloosheid.

Als de redenering over identificatie naar boven waar zou zijn, betekent dat wel, dat zij alleen zou opgaan voor een samenleving waar verarming inderdaad een angstvisioen is, dat voortdurend wordt aangewakkerd door het bestaan van een in kommervolle omstandigheden levende onderklasse.

In een verzorgingsstaat met welvaart voor iedereen valt deze basis weg. Zou dat een van de oorzaken kunnen zijn vor wat gezien wordt als de relatieve achteruitgang van burgerlijke deugden? Het afzetten naar onderen werd steeds irreeler, want dat 'onder' verdween steeds meer.

''De arbeiders zijn verburgerlijkt'' wordt dan wel gezegd, hoewel dat binnen de bovenstaande gedachtengang niet helemaal juist zou zijn, omdat deze veronderstelt dat er integendeel een algemene ontburgerlijking heeft plaatsgevonden. De kleine witte boorden criminaliteit, een tanende arbeidsmoraal, kindeen die in de tram met modderlaarsjes op de banken mogen staan en universiteitsbibliotheken waar je uitglijdt over koffiebekertjes en andere troep en waar het bordje 'stilte in de studiezaal' al lang geen dienst meer doet.

Maar tegenover deze verslonzing, zo niet verloedering, staat gek genoeg een opleving van de etiquette. In allerlei media wordt erover geschreven, in boekjes wordt de hoe-hoort-het-eigenlijk-draad weer opgepakt en zelfs het serieuze televisieprogramma Rondomien wijdde er een uitzending aan. Daarin werd door een groep bekende Nederlanders - onder wie de echtgenote van de minister-president - vrolijk, maar met ernstige ondertoon gediscussieerd over het gebruik van bestek van buiten naar binnen, over de vraag wanneer je wel of geen bloemen moet meenemen voor de gastvrouw en over het in de hand houden van het wijnglas: bij de kelk, de steel of de voet. (Echt chic is het natuurlijk pas als je wel weet hoe het moet, maar zo je wilt het glas desnoods met beide handen naar de mond brengt om de wijn slurpend te drinken.) Doordenkend op de theorie van burgerlijke identificatie naar boven zou je je kunnen afvragen of deze toenemende belangstelling voor etiquette misschien een voorbode is van herlevende burgerlijkheid, omdat men bespeurt dat door de afnemende verzorgingsstaat weer een onderklasse aan het ontstaan is en men zich weer op de klassieke manier daarvan wil onderscheiden. Eenntrigerende gedachte, die als er ook maar een begin van waars in zit, het belang van een goed vastgehouden wijnglas vele malen overstijgt.

In het Amerikaanse boek Fear of Falling van Barbara Ehrenreich wordt een interessante variant op dit thema beschreven. Op de golven van de welvaaart is een aanzienlijke groep veel verdienende burgers ontstaan in beroepen die voorheen niet meer dan een ruim inkomen opverden: met name managers, advocaten, architecten, en adviseurs op velerlei gebied worden genoemd. Zij hebben lange tijd op grote voet kunnen leven, maar weten dat dit alleen vol te houden zal zijn zolang zij op hetzelfde niveau kunnen blijven werken. Er is niet, zoals bij traditionele rijken, (familie)kapitaal achter de hand. Echte gentlemen of leisure kunnen ze niet worden.

Deze groep blijkt met twee grote stressbronnen door het leven te gaan. In de eerste plaats de klassieke burgerlijke angst voor terugval in inkomen en dus naar een soberder leven. En ten tweede een nog grotere zorg: hohet moet met de kinderen, die wel in luxe zijn grootgebracht, maar die geen luxe kunnen erven. Zij zullen voor zichzelf iets moeten opbouwen, maar omdat zij zonder de burgerlijke deugden van je best doen en hard werken zijn grootgebracht, vrezen de ouders het ergste: vale regenjassen, kale schoenen en versleten tassen. Alleen dan wel van een goedkoop merk.