De werkelijkheid gedroeg zich literair

Morgen is het precies vijf en twintig jaar geleden dat de jaren zestig in Nederland tot een hoogtepunt kwamen. Op 14 juni 1966 ontstond een klein oproer in Amsterdam dat uiteindelijk leidde tot het aftreden van de hoofdcommissaris en de val van burgemeester Van Hall. Twee maanden later beschreef Harry Mulisch, gedurende “een drie weken durende woede- en lachaanval”, die bewogen periode in zijn legendarisch'Bericht aan de Rattenkoning'. In de vijfde aflevering van deze serie blikt de schrijver terug.

AMSTERDAM, 13 JUNI. “Het was de tijd dat we allemaal bij elkaar kwamen in 'de salon' van Ed Hoornik. Mijn vrienden waren in de eerste plaats Jan Hein Donner en Peter Schat, maar ook Han Lammers en anderen. We waren geen provo's. Dat waren twintigers, terwijl ik in 1967 veertig moest worden. Als we een beetje hadden doorgezet, hadden de provo's onze kinderen kunnen zijn.”

Harry Mulisch, inmiddels 64, woont nog steeds op dezelfde plek aan het Leidseplein van waaruit hij 25 jaar geleden de 'wereldhistorische gebeurtenissen' kon volgen. In Bericht aan de Rattenkoning liet hij conform de geest van die tijd in een voorwoord weten dat het boek niet alleen over de gebeurtenissen handelt, maar ook een deel is van de gebeurtenissen. Het ogenblik was gekomen, zo schreef Mulisch, “om ons tot een stoottroep te formeren”.

In 1965-'66 gebeurde er volgens Mulisch wat eigenlijk in 1945 had moeten gebeuren: “Het was een inhaalmanoeuvre die ons reuze opluchtte. Een generatie die twintig jaar jonger was dan de onze verwierf zich vrijheden die wij altijd al genomen hadden. In die zin zagen we onszelf daarin weerspiegeld. Zelf hadden we ons leven ingericht zoals wij dat wilden en nu zagen we dat dat door ging zetten. En dat is tot op de huidige dag zo.”

“De vooroorlogse generatie was opgevoed in de bedrukkende vooorlogse maatschappij en in de oorlog werd het voor hen alleen maar bedrukkender. Mijn generatie is niet voor, maar in de oorlog opgegroeid, we waren twaalf, dertien toen hij begon en zeventien, achttien toen hij afliep. Voor ons was de oorlog paradoxaal genoeg ook een heel vrijgevochten tijd, waardoor wij een speciaal 'ras' zijn geworden, we herkennen elkaar ook direct.”

“Politiek, dat was hun wereld, van dat andere ort - vooroorlogse - mensen, waartegen je particulier toch niets kon ondernemen. Ik wist nauwelijks wanneer er verkiezingen waren of wat voor kabinet er zat.

We deden gewoon waar we zin in hadden, maar juist daardoor konden de heren, de regenten onderling uitmaken wat er gebeurde in Nederland.

Totdat er een echte beweging ontstond. Ineens zag je hoe makkelijk het was om iets te veranderen, want hoe groot was die provo-beweging nou helemaal?''

Wat voor de meeste provo's Spielerei was, werd voor Mulisch en zijn vrienden in de loopan 1966 bittere ernst. Als de provo's SS'er of fascist riepen tegen de wild om zich heen slaande politieagenten, deden ze dat om te provoceren. Mulisch beschouwde ze als SS'ers en voelde zich echt bedreigd toen een agent hem bij zijn naam noemde en zei: met jou reken ik ook nog wel af.

“Ik had het gevoel dat ik in een bezette stad leefde. Amsterdam werd bezet door Nederland. Bij de provo's sloot het politieoptreden niet aan bij oorlogservaringen, die hadden ze niet.ij ons werd er een kortsluiting gemaakt. Het deed ons echt ergens aan denken. En vergeet niet: een groot deel van die politieagenten was nog van de oorlogsgeneratie, opgeleid in Schalkhaar in de jaren veertig. Ze hadden joden opgehaald en alles. Dat is me zelfs een keer gezegd, door een wat oudere agent met een aardig gezicht, toen ze weer onschuldige mensen aan het meppen waren. Toen ik hem vroeg: wat bezielt uw collega's nou toch eigenlijk, zei hij alleen maar: Schalkhaar. s later hoorde ik dat burgemeester Van Hall een gerespecteerd verzetsman was geweest. Als ik dat eerder had geweten, had ik hem zachtzinniger aangepakt, ik zou het in elk geval gemeld hebben in mijn boek.”

“Er was geen rechtsorde meer, dat maakte ons zo woedend. En die verstoorde rechtsorde is wat uiteindelijk geleid heeft tot de climax: de veertiende juni toen de bouwvakkers in opstand kwamen. Het is die dag allemaal begonnen met de eerste editie van De Telegraaf die schreef dat tijdens een demonstratie van Amstermse bouwvakkers een van hen, 'de heer Weggelaar', gedood was door een steen die een medebouwvakker had gegooid. Dat valse bericht was een positieve bijdrage van De Telegraaf aan de verandering van Nederland. Want toen kreeg je dat oproer. En toen begreep ik : nu wordt het ernst.”

“Eerst had je de provo's, dat waren jochies. Daarna gingen de studenten meedoen. Voor die tijd was een student een rechtse bal met een sjaal van drie meter van de roeivereniging om zn nek en nu hoorde je van linkse studenten. Totaal nieuw. En toen kwamen de arbeiders en ging het echt proporties aannemen. Maar tegelijk wist ik: nu is het afgelopen. Intutief. Daarom kon ik dat boek ook in augustus schrijven, ik wist dat dit het hoogtepunt en het einde was.”

“Achteraf denk ik dat de literaire vorm die ik in mijn boek gaf aan de gebeurtenissen, met als dramatisch hoogtepunt die veertiende juni, ook het principe van de gebeurtenissen was. De werke()lijkheid gedroeg zich literair. Met andere woorden: er kon niets meer gebeuren, want mijn boek was af.”

“Het is mooi zoiets meegemaakt te hebben”, schreef Mulisch in dat boek en dat vindt hij nog steeds. “Het was een schitterende theatervoorstelling en het is gelukkig allemaal goed afgelopen. Ik heb er veel van geleerd. Voor die tijd dacht ik: de overheid, daar kun je niets tegen doen, terwijl je er best iets tegen kunt doen. Met een krent schiet je hem aan flard. Het is geen fort, de staat, het is een kaartenhuis. Daarom moet je zo oppassen. Maar toen was het een noodzakelijke verandering.”

“Of het mij veranderd heeft? In de jaren zestig heb ik eigenlijk geen romans geschreven . Dat kwam voort uit de Vietnam-oorlog. Dat was geen klimaat om verhaaltjes te vertellen. En door het proces-Eichmann, waar ik in 1961 bij was en waar ik een soort trauma van heb opgelopen.

Daarvan heb ik me genezen door Bericht aan de Rattenkoning, omdat ik toen zag: politiek kan toch ook leuk zijn!”(“Misschien heeft die periode Nederland meer veranderd dan de Tweede Wereldoorlog. Uit de oorlog kwam het precies zo naar voren als het erin was gegaan. Al die vrijheden van nu, voor homo's en feministen - dat zijn de jaren zestig geweest. Stel je voor dat in de jaren vijftig twee nichten hadden gezegd: wij willen trouwen. Die waren ingerekend op grond van de krankzinnigenwet. In de jaren zestig heeft het Nederlandse volks, schrijvers en kunstenaars, ingehaald omdat veel meer mensen eindelijk gingen leven zoals ze dat zelf wilden. Het was een inhaalmanoeuvre van het Nederlandse volk als geheel.

Achteraf kan je misschien zeggen: wat is het tegenwoordig smerig, niemand luistert meer naar voorschriften en dat komt allemaal door Provo. Daar is misschien iets van waar. Maar toen hadden ze gelijk.

Toen moest dat zo. Nu is er zo'n stemming: links heeft ongelijk gehad, rechts had gelijk. Maar als je dan consequent bent, moet je zeggen dat Nederlanderie dienst namen bij de SS om tegen het communisme te vechten gelijk hadden en dat ze ten onrechte zijn veroordeeld.

Misschien zou rechts zo langzamerhand een standbeeld voor ze moeten overwegen. Gelijk hebben is tijdgebonden. In de jaren zestig hadden de regenten ongelijk.''