De trauma's zijn nog niet overwonnen

In deze krant is onlangs aan de hand van uitspraken van krijgskundigen uit een ver tot zeer ver verleden een discussie gevoerd over de vraag of de Amerikanen in Irak wel of nieebben gewonnen. Doordat al naar gelang het doel dat aan de operatie wordt toegeschreven, het antwoord anders kan luiden, kon die discussie niet tot een bevredigende conclusie leiden. Temeer niet omdat de politieke en militaire leider van de onderneming niet consistent is geweest waar het om de openbare beschrijving van zijn 'targeting' ging.

De historici zullen pas veel later kunnen uitmaken of Bush een hoofdzaak onderkende en zo ja, wat deze wel mag zijnweest. Vervolgens kan worden nagegaan of die hoofdzaak al dan niet bevredigend werd afgehandeld. Het maakt in de beoordeling van de uitkomst van de Tweede Wereldoorlog ten slotte ook nogal verschil of als doel van die oorlog de capitulatie van de As-mogendheden of de verwezenlijking van het Atlantisch Handvest wordt aangehouden.

Als al een van de doelen van de Amerikaanse interventie in de Golf is geweest hetogenoemde Vietnamtrauma te overwinnen is het zeer de vraag of de regering daarin is geslaagd. In het meinummer van Commentary wijst Joshua Muravchik erop dat dit misschien niet het geval is. Aan de hand van uitspraken van Amerika's 'opinion leaders', gedaan in de verschillende fasen van de Golfcrisis, stelt hij vast dat het wantrouwen tegenover Amerika's politieke en militaire vermogen dat onderdeel is van het Vietnamtrauma, zeker tot aan de honderd urige beslissing op de grond niet was weggenomen. En ook daarna bleven er in de VS vraaekens geplaatst worden bij de resultaten van de onderneming.

Het grote onderscheid met de Vietnamcrisis in de Amerikaanse politiek van de jaren zestig en zeventig is dat nu ook 'haviken' van reputatie zich in het kritische koor hebben geschaard.

Muravchik voert een aantal thema's en de daarbij behorende commentaren op om zijn stelling te onderbouwen. Volgens hem leek het er in de eerste weken na 2 augustus vorig jaar, de dag van de Iraakse inval in Koeweit, op dat het Vietnamtrma was overwonnen. De beslissing van Bush om troepen naar Saoedi-Arabie te sturen vond nog algemene instemming.

Maar in de loop van de herfst nam de zorg toe. Er werd voorspeld dat een oorlog met Saddam Hussein lang zou duren. Cyrus Vance, minister van buitenlandse zaken onder Carter: “We kunnen onszelf terugvinden, alleen in een harde en smerige oorlog die zou kunnen worden gewonnen, maar niet snel...” George Ball, onderminister in de regering-Kennedy: (we moeten) “onder ogen zien dat een oorlog allesbehalve zo snel en gemakkelijk zal zijn als de voorstanders suggereren.” Tom Wicker in de New York Times: “Het zal geen snelle of onbloedige operatie worden en mogelijk zelfs niet een succesvolle.” Columnist Anthony Lewis: “De oorlog zal langer en afschuwelijker zijn dan de meeste Amerikanen aanvankelijk meenden.”

Dat wat betreft de verwachte duur van de oorlog. De voorspellingen over Amerika's militaire vermogen waren nieminder pessimistisch. Tom Wicker: “De president...wil Saddam Hussein ervan overtuigen dat hij moet kiezen tussen oorlog en terugtocht. Het probleem met deze strategie is dat zij de Iraakse leider moet overtuigen van iets dat op zichzelf onwaarschijnlijk is.” Senator Bill Bradley: “Worden militaire besluiten weer aangedreven door de rivaliteit tussen de verschillende krijgsmachtonderdelen?” John Steinbruner van Brookings Institute: “We moeten het leger en de mariniers kort houden...

zelfbeheersing doemt op als een groter vraagstuk dan de Iraakse tegenstand.” Senator Gary Hart sprak van “de mythe...dat wapens van hoge kwaliteit hun superioriteit hebben bewezen boven wapens van lage kwaliteit.” Anthony Lewis meende dat de bombardementen niet effectiever zouden zijn dan die op Vietnam omdat “de Irakezen vijf maanden de tijd hadden gehad om ondergronds te gaan...misschien zo diep als de Vietnnamezen.” Senator Daniel P. Moynihan: “Plotselingreden onze instellingen op alsof zij zeggen, 'Oh mijn God, wij misten Wereldoorlog III. Mogelijk kunnen we die hier en nu hebben.

Niet daar maar hier.' ” Het verwachte aantal slachtoffers aan Amerikaanse kant kon het beeld slechts somberder maken. De columnisten Evans en Novak onthulden dat het Pentagon rekening hield met twintigduizend slachtoffers. Jack Anderson schreef op gezag van “topgeheime schattingen binnen het Pentagon” dat er binnen twintig dagen dertigduizend slachtoffers zouden zij Newsweek hield het op vijfduizend doden en vijftienduizend gewonden in de eerste tien dagen en senator Edward Kennedy verklaarde dat “de vijfenveertigduizend lijkzakken die het Pentagon naar het gebied heeft gezonden het bewijs vormen dat wij nodig hebben van de hoge prijs in levens en bloed die we zullen moeten betalen. Tenminste drieduizend Amerikaanse slachtoffers per week, met zevenhonderd doden, zo lang als de oorlog duurt.” Ex-minister van defensie ondepresident Nixon, James Schlesinger: “In het geval van een totaal offensief tegen versterkte Iraakse posities kan het aantal slachtoffers oplopen tot in de tienduizenden.” Militair deskundige van naam Edward Luttwak onthulde de later gevolgde omsingelingsstrategie en kwam tot de conclusie dat zelfs als alles voorspoedig ging er toch enkele duizenden Amerikanen zouden omkomen of voor het leven verminkt zouden raken.

Even pessimistisch waren de voorspellingen over terrorisme dat over de gehele wereld zou toeaan. Evans en Novak verwachtten dat alles wat Amerikaans was in het Midden Oosten, Noord-Afrika en Europa het doelwit zou zijn van aanslagen, waarmee “Saddam Husseins ijzeren controle” over de terroristen zou zijn bewezen. Ook de Amerikaanse diplomatie zou het kind van de rekening worden. Senator Levin: oorlog “riskeert de fragiele internationale alliantie te vernietigen die is verenigd tegen Iraks agressie.” Kennedy: “De huidige coalitie die sancties steunt zaop termijn moeilijk bijeen zijn te houden, maar een oorlog kan de coalitie zelfs nog sneller verdelen.” Carters veiligheidsadviseur Brzezinski: “De VS raken waarschijnlijk vervreemd van vele van hun Europese bondgenoten.” Ex-president Carter zelf: “Godsdienstige gevoeligheden onder moslims in alle landen zullen verder worden geprikkeld als gevolg van de dramatische aanwezigheid en acties van Westerse mogendheden in hun heilige landen.” George Ball: oorlog zou “de VS in de positie achterlaten van een paria in het gehele Midden Oosten, met geen enkele vriend, Israel uitgezonderd.”

Brzezinski verwachtte “een wereldomvattende golf van sympatie voor Irak.” Stanley Hoffmanm van Harvard sprak over Saddam Hussein als de kampioen van het verzet tegen Amerika.

Dit is slechts een bloemlezing uit de vele citaten die Muravchik heeft verzameld. Hij ziet in de uitspraken een reflectie van de thema's van het Vietnamtrauma, van een uitsaak van Hoffmann uit 1973 over het verlies aan betekenis van militaire macht voor de meeste doelen die staten nastreven en van een uitspraak van Richard Ullman uit 1975 dat Amerika's fysieke veiligheid niet in enige directe betekenis wordt aangetast door ingrijpende veranderingen in de interne politieke structuur van enige andere staat of staten. Muravchik komt dan ook tot de conclusie dat gedurende de Golfcrisis het debat in Amerika nog steeds langs dezelfde lijnen werd gevoerd en dat het einde van dKoude Oorlog nieuwe aanhangers heeft geworven voor een isolationistische of semi-isolationistische (de auteur spreekt van neo-isolationistische) benadering van internationale vraagstukken.

Voor bewoners van andere delen van de wereld een constatering om te onthouden.