Boeren kunnen tempo niet bijbenen

De recente cijfers vanuit de OESO over maar liefst driehonderd miljard dollar subsidie voor de agrarische sector in 1990 bevestigen op het eerste gezicht de bestaande opvatting dat de boeren sterk gesteund worden en dat zij daar zeer wel bij varen. En dat allemaal op de zak van de ument en de belastingbetaler. Hoog tijd zou men zeggen en dat doet onder meer NRC Handelsblad (6 juni), dat daar verandering in komt en dat vooral Europees gezien, nu eindelijk eens de daad bij het woord 'marktmechanisme' wordt gevoegd.

Naar mijn mening is vorenstaande opvatting echter maar een kant van het verhaal. Daar hoort nen verhaal bij. Namelijk dat van de boer zelf. Hoe heeft het zover kunnen komen? Na de Tweede Wereldoorlog was iedereen het er over eens dat de ontwikkeling van de landbouw prioriteit moest hebben. In EG-verband werden de boeren daarom met subsidies gestimuleerd zoveel mogelijk voedsel te produceren. Dat deden ze zo goed - de Nederlandse boeren voorop - dat iedereen, zowel producenten als consumenten, er het volle profijt van trok: de boeren een redelijk inkomen en de consumenten een prima voedselpakket tegen redelijke en stabielejzen. Iedereen tevreden.

De doelstelling was bereikt. Het ging echter zo goed dat er eind jaren zeventig overschotten gingen ontstaan - eerst melkplassen, later ook wijnmeren en bergen van graan en vlees. Het landbouwbeleid werd slachtoffer van zijn eigen succes. Op basis van dat beleid moest Brussel al deze overprodukten tegen garantieprijzen opkopen om ze vervolgens op de wereldmarkt te dumpen. Het gevolg was natuurlijk dat de kosten voor het landbeleid de pan uit rezen.

Na lang aarzelen werd er op onderdelen ingegrepen. Voor de melk kwam er een produktiebeperking en de boeren moesten mee gaan betalen aan de kosten van de overproduktie aan graan. Bovendien werd er voor de granen een automatische prijsdaling in het systeem ingebouwd. Voor het eerst werd ook gesproken en gedacht vanuit een (meer) marktgerichte benadering van de landbouw. De nadelige effecten voor de boeren zouden tegelijkertijcompenseerd worden door zogenaamd flankerend beleid in de vorm van socio-structurele maatregelen waarvan tot op heden overigens nauwelijks iets is terechtgekomen. Dit laatste is ook de reden dat de boeren in feite geen keuze hebben en wel moeten doorproduceren met alle extra kosten voor de gemeenschap van dien.

Ondertussen daalde de boerenprijs voor graan wel in een paar jaar van bijna zestig cent per kilo naar nog geen veertig cent per kilo nu Dat is zo'n vijfendertig procent minder! Door de scherpe daling van de graanprijzen en de melkquotering kregen de boeren bovendien te maken met twee nieuwe effecten. Het het spil-effect en het verdringings-effect. Het spil-effect ontstaat omdat de graanprijs tal van andere gewassen meesleurt in de neerwaartse prijsspiraal. Het verdringings-effect doordat boeren vanuit granen in andere gewassen vluchten die dan vervolgens ook in prijs dalen. Beide effecten versterken elkaar en leidden tot rampzalige inkomensdali in - met name de Nederlandse - akkerbouw. Uiteindelijk leidde dat tot de ongekend heftige boerenacties van vorig jaar die Nederland wekenlang in hun greep hielden.

Deze boerenacties hebben voornamelijk sigaren uit eigen doos opgeleverd. Maar de politieke boodschap was duidelijk: boeren moeten hun eigen broek ophouden en de landbouw moet marktgerichter produceren. Door de GATT-onderhandelingen werd het tempo van het marktgerichte beleid van Brussel extra onder druk gezen tegenstelling tot de Nederlandse minister van landbouw hebben de boerenorganisaties zich heftig tegen het tempo en de ongenuanceerdheid van de GATT-voorstellen verzet, omdat deze rampzalig zijn voor de Europese boeren en voor het platteland. Boerenbedrijven zouden in groten getale het loodje leggen en het platteland zou bij gevolg verpauperen.

Overigens is in Europese boerenkring maar al te goed bekend dat de Amerikaanse overheid zijn boeren per saldo minstens zoveel steun geeft als de Euse boeren uit Brussel krijgen.

De discussie in de Nederlandse en Europese landbouw gaat niet meer over de vraag of er een (meer) marktgericht landbouwbeleid gevoerd moet worden. Dat marktgerichte beleid is er en de boeren zijn het er nog mee eens ook. De discussie in boerenkring betreft vooral het tempo waarin en de wijze waarop dit beleid moet worden ingevuld. Als je bent opgekweekt in een beschermd systeem, kun je niet van de ene dag op de andere op eigen benen n. De boeren en hun organisaties vinden dat de overheid de plicht heeft hen daarbij te begeleiden. We zijn in gezamenlijke verantwoordelijkheid in de problemen gekomen en we moeten er nu ook samen zien uit te komen. Onze grote frustratie is echter dat de overheid - nu het heilige doel van de voedselvoorziening is veiliggesteld - niet meer thuis geeft. De boeren zijn volop aan het overschakelen naar produkten die de markt vraagt en wil betalen. Dat is de overstap van gesubsidieerde bulkprodukten naar gespecialiseerde kwalitateitsprodukten die arbeids- en kennisintensief zijn. Die draai maak je niet zomaar. Behalve onderzoek, onderwijs en voorlichting is daar heel veel geld en tijd voor nodig - een halve generatie ten minste.

Ondanks de afwachtende opstelling van de overheid worden er door boeren en hun organisaties tal van initiatieven op het gebied van teelt, verwerking en afzet van nieuwe agrarische produkten genomen waarbij hoge financiele risico's worden gelopen. Dat wordt gedaan om ook straks - als ook de liberalisatie van de GATT een feit is - weer perspectief te hebben. Agrarisch Nederland is bezig aan een nieuwe toekomst - marktgericht en wel. Maar om te slagen is er zowel nationaal als internationaal politieke ruimte nodig in zowel tijd als geld. Daarmee is de cirkel weer rond.

Tenslotte nog een relativerende opmerking: driehonderd miljard dollar aan subsidie is verschrikkelijk veel geld. Per consument is dat echter nog geen twederd gulden per persoon per jaar. En kijk dan eens wat je er voor terugkrijgt.