Verdachte in IRA-zaak uit zitting weg

's-HERTOGENBOSCH, 12 JUNI. Paul H., een van de vier verdachten die voor het gerechtshof in Den Bosch in hoger beroep terechtstaan op beschuldiging van betrokkenheid bij de IRA-aanslag in Roermond, heeft vanmorgen de rechtszitting verlaten. “Ik kan niet langer lijdelijk toezien hoe ik het slachtoffer word van een on()eerlijk en bevooroordeeld proces. Mag ik nu gaan?” vroeg H. voordat hij de rechtszaal verliet.

Paul H., die in Roermond werd vrijgesproken, vindt dat zijn verdediger niet de kans krijgt getuigen aan de tand te voelen en dat de Noordierse politie onjuiste informatie heeft verschaft om zijn alibi te ontzenuwen.

“Dit hof wil niet de waarheid bovenhalen, maar wil zich baseren op onzekere getuigenverklaringen”, aldus de verdachte. De advocaat van Paul H., mr. W. van Bennekom, kreeg maandag van de zzident van het hof het verbod bepaalde vragen te stellen aan een vrouw uit Venlo, die zegt H. te hebben gezien op de plaats waar een uur voor de aanslag de vluchtauto van de daders werd gestolen. De president vond dat de advocaat de getuige “ontoelaatbaar in verwarring bracht” met vragen die geen nieuwe informatie konden toevoegen. H. had ook bezwaren tegen de brief van een Noordierse politiefunctionaris met informatie over de vier Noordieren, die hem een alibi hebben verschaft. Drie van de vier getuigen zouden IRA-leden zijn, die H. een dienst wilden bewijzen. Het hof heeft vanmorgen al laten weten dat die brief niet aan het dossier wordt toegevoegd. Het voorkwam daarmee verdere vertraging in het proces dat vier in plaats van twee weken lijkt te gaan duren.