Partij voor breuk hervormers en conservatieven; Communisten in minderheid in Albanese coalitieregering

TIRANA, 12 JUNI. In Albanie is gisteren een coalitieregering genstalleerd, waarin voor het eerst sinds decennia niet-communisten zitten. Op het congres van de communistische Partij van de Arbeid van Albanie (PPSh), die vandaag haar naam heeft veranderd in Socialistische Partij, kwam gisteren een diepe breuk aan het licht tussen voor- en tegenstanders van wijlen partijchef Enver Hoxha.

In de nieuwe regering van premier Ylli Bufi, zelf lid van de PPSh, nemen de communisten een minderheid in. Ze bezetten elf ministersposten, meer dan enige ndere partij, maar samen hebben de andere partijen, pas na december vorig jaar gelegaliseerd en sindsdien in de oppositie, de meerderheid. De belangrijkste, de Democratische partij, bezet acht posten, de Republikeinse partij vier, de Boerenpartij en de sociaal-democraten hebben er elk een. Gramoz Pashko, een van de twee leiders van de Democratische Partij, is minister van economische zaken en vice-premier. De Democraten hebben ook het ministerie van defensie gekregen. Minister van buitenlandse zaken blijftammet Kapllani, lid van de PPSh. Ook de ministeries van binnenlandse zaken en openbare orde blijven in handen van de communisten. Op het congres, waar de breuk tussen hervormers en conservatieven naar buiten kwam, besloot de partij een aantal leiders die voor de “Albanese perestrojka” een sleutelrol hebben gespeeld, uit het Centraal Comite en soms ook uit de partij te zetten. Dat laatste overkwam de voormalige politburo-leden Manush Myftiu en Rita Marko en de oud-miers van binnenlandse zaken Simon Stefani en Hekuran Isai. Foto ami, tot vorig jaar de tweede man van Albanie, Piro Kondi, voormalig partijleider van Tirana, en partijveteranen als Prokop Mura en Spiro Koleta verdwenen uit het Centraal Comite. De afgevaardigden op het partijcongres werden gisteren bovendien verrast door een scherpe aanval op wijlen Enver Hoxha, de “vader van het Albanese socialisme” die het land van 1944 tot zijn dood in 1985 heeft geJH)geerd. De aanval, de eerste openlijke van een partijkopstuk op Hoxha, werd gelanceerd door Dritero Agolli, voorzitter van de Schrijversbond. Hij noemde Hoxha “een stalen dictator” wiens beleid Albanie heeft geruneerd. “Enver Hoxha heeft geen vrijheid van denken toegestaan. Hij heeft de democratie geelimineerd. Wie zich verzette, verdween met geketende handen in de gevangenis. Hij zaaide tirannie en terreur.” Hoxha, aldus Agolli, heeft “Albanie en de Albanezen tot de bedelstaf gebracht en hun lamen ziek gemaakt.” Hij stelde zowel het economische als het binnen- en buitenlandse beleid van Hoxha aan de kaak en schuwde zelfkritiek niet: “Ik heb mijn jeugd, mijn dromen en mijn hoop aan de partij verloren. Ook ik heb de lof van Enver Hoxha en het socialisme gezongen. We dachten dat deze samenleving de wereld zou veranderen. Ik heb nu begrepen dat dat een ernstige vergissing is geweest”, aldus Agolli. Agolli's aanval werd voortdurend onderbroken door boze gedelegeerden, die spreekkoren aanhieven op de partij en Hoxha en die zijn toespraak met ritmisch handgeklap trachtten te verstoren.

Dat nam zulke grote vormen aan dat prominente hervormers zich na afloop bezorgd uitlieten. Spiro Dede, hun belangrijkste aanvoerder, zei dat “deze bolsjewistische atmosfeer niet te bestrijden is”, en dat “we niet hadden gedacht dat het congres zo zou verlopen”. “Het is nu de vraag of de partij kan overleven. Je kunt een partij niet regenere(ren met zulke mensen. Zij moeten eruit of wij moeten eruit.” Hoxha werd tijdens het congres in bescherming genomen door zijn weduwe Nexhmije, sinds jaar en dag prominent in de partijtop. Zij gaf toe dat haar man “vergissingen” heeft gemaakt, maar hekelde de “monsterlijke laster”

die in de oppositiepers en door “agenten van het buitenland” tegen de nagedachtenis van Hoxha is geuit. (AFP, Reuter)