Openbaar mooi (1)

Het is de laatste gen geaccepteerde smaak meewarig te doen over de Tweede Kamer die niets begrijpt van moderne kunst en zich er wel mee bemoeit.

Wie denken die stumpers dat zij zijn? Nooit gehoord zeker dat de staat zich onthoudt van een oordeel over de inhoud van onderwijs en kunst. De meerderheid vindt bovendien lelijk waar kunstkenners van zeggen dat het mooi is - 'interessant' of 'belangrijk'. Het 'Kounellis'-syndroom zal nog wel even door depenbare discussie spoken, met als vermoedelijke uitkomst dat men gelaten vaststelt dat we de volksvertegenwoordigers hebben die we verdienen. Mensen met een Perzisch tapijtje schuin over de televisie, die hun plaats niet kennen. En nu maar op zoek naar iets minder roestigs, liefst vandaalbestendig en van een gewone Hollandse jongen (m-v). Daarmee dreigt dit het zoveelste niet-uitgeprate openbare kunstdrama in Nederland te worden. Van Zadkine tot Wilhelmina, van de 'slijn' bij de Rotterdamse Willemsbrug tot de kolenkit op het pleintje voor de nieuwe vergaderzaal van de Tweede Kamer, knarsten we tanden. Wie even nadenkt over dergelijke botsingen tussen kunst en publiek, komt niet automatisch tot de conclusie dat uitspraken over mooi en lelijk voor ongediplomeerden taboe zijn. En dat is nog maar de praktische kant van het probleem. De kern van de conflicten is de 'onbegrijpelijkheid'

van veel moderne kunst. Een keielint vond men Wilhelmina daarom onwaardig. De inwoners van Meerssen (Limburg) begrepen in '87 niet waarom het kunstzinnig was dat zij 32 blokken mergel voor hun deur en een treintje met gifvaatjes voor hun lieflijke station kregen. Zoals de bewoners van het Koggeplein in Tilburg zich in '89 niet verheugden op een kunstwerk bestaande uit drie muren van bijna vijf meter hoog ter herinnering aan de verdwenen textielfabriek. En de Amsterdamse Spinozahof zat niet te wachten op 7ton artistieke pijpleiding. Wat gaat er steeds mis? Kunsttheoreticus Cor Blok heeft in het decembernummer van het blad Archis overtuigend beschreven hoe de vanzelfsprekendheid van de kunst verloren is gegaan. Kunstenaars gebruiken geen Romeinse godinnen en door Vergilius bezongen landschappen meer om bij ieder bekende emoties op te roepen. Dat was hun zaak zolang het om schilderijen en particuliere beelden ging. Het is een publieke zaak geworden toen zij op straat en in openbare gebouwen met hun hoogst persoonlijke onderzoekingen kwamen aanzetten. Kunstenaars zijn eigenwijs geworden.

En wij hebben geen openbare staatsleer, filosofie of theologie meer die tot uitdrukking gebracht kan worden. Blok: “Alleen in landen met een dictatoriaal regime laat kunst zich nog 'prostitueren' tot het vertolken van algemeen herkenbare idealen in een algemeen herkenbare vormentaal.”

Daar zitten we dan, met veel geld en goede wil. Een percentage-regeling en geoeg zakenlieden en politici die op straat een mooi gebaar willen maken. We hebben alleen geen binding in de geest. Daarom weten we niet meer hoe zinvolle openbare kunstopdrachten gegeven kunnen worden. Dat is het echte probleem. Hoe wijs en vernieuwend dat de Tweede Kamer daar eens aandacht aan heeft willen besteden. Voor wie staat die kunst op straat als het niet het publiek is? Welke buitengewone preutsheid moeten leden van de Tweede Kamer in acht nemen als voor hun deur voor een hal miljoen openbare kunst wordt aangeboden waar zij in meerderheid weinig in zien? Wie van de Kamer, of de bewoners van een ander plein, verlangt dat zij zwijgen over wat zij zien, legt zich neer bij een doorslaggevende rol van deskundigen aan wier oordeel wij ons hebben te onderwerpen. Dat is weinig belovend post-modern standpunt. Hoe en wat dan wel? Niemand wil nieuwe kruiswegen of ruiterstandbeelden. Voor het nieuwe ministerie van Sociale Zaken in Den Haag staat een knalblauw stel stalen buizen van Marijke de Goey die het fatale bombardement op het Bezuidenhout ten gevolge van een geallieerde rekenfout symboliseren. Je ziet het als je het weet. De buurt was niet blij met de komst van het grote gebouw, maar het kunstwerk als gebaar heeft geen rel veroorzaakt.

Daar is het dus redelijk goed gegaan. De oorlog is een van de laatste onderwerpen die ons bindt. Zolang we het leuk vinden in het openbaar naar meer dan glas en beton te kijken, moeten we de wereld van de kunst ragen te filteren en te onderzoeken op grond van criteria van vakbekwaamheid, inspiratie en geschoolde intutie. Maar dan komt het.

Waar klinkt de stem des volks zuiver en met mate? Het land heeft intussen voldoende ervaring met blind vertrouwen op inspraak om te weten dat je dan vergadertuig lokt als ratten in een open riool. En toch moet 'het publiek' zeggen of het wel of niet tegen een portie kunst wil aankijken. De comissie ter begeleiding van de nieuwbouw van de Tweede Kamer heeft het uiteindelijk niet aangedurfd het idee van de Amerikaanse hoogleraar Albert Elsen (deze rubriek, 28 april) te volgen. Hij stelde voor kunstwerken op belangrijke openbare plekken vaker op proef te aanvaarden, bijvoorbeeld voor tien jaar. Daarna zouden opdrachtgever en kunstenaar schuldloos uiteen kunnen gaan of elkaar vertederd omhelzen.

De commissie was bang dat algemene aanvaarding daardoor juist zou uitblijven en zag er uitstel van “het nu bestaande keuzeprobleem' in.

Elsen wees er op dat het in de Verenigde Staten een geaccepteerde eis is dat openbare kunst “een bijdrage moet leveren aan het geestelijke, fysiek en intellectueel welzijn” van het volk. In het bekende blad Art News heeft hij daar een 'recht van het publiek om nee te zeggen' op gebaseerd. In de procedure voor aanbesteding van openbare kunst treedt in Amerika meestal een commissie op die voor de helft uit publiek en buurtbewoners bestaat. Kunstenaars komen vaker dan hier gebruikelijkuitleggen wat zij met een bepaalde openbare ruimte willen doen. Zij timmeren maquettes op bijna-ware grootte en spannen stalen kabels om de contouren aan te geven van hun gedachtenspinsel. De reacties kunnen, volgens Elsen, helpen een kunstwerk tot stand te brengen dat de kunstenaar bevredigt en het publiek al een beetje vertrouwd is. 'Kounellis' is daarom geen ramp, maar een onderdeel van het wakker worden van de publieke smaak in Nederland. Gelukkig isr geen collectieve smaak. Iedereen mag mooi vinden wat ie wil. We moeten het er alleen over eens zien te worden. Als wij geen volk zijn dat een Champs Elysee doortrekt tot in La Defense, dan moeten we maar onze eigen monumentaliteit ontwikkelen. Om met Cor Blok te spreken: “Aan de vorming van kunstenaars wordt gewerkt, maar wie bereidt de opdrachtgevers voor op hun taak?”