Kounellis laconiek onder afwijzing

MOSKOU, 12 JUNI. Hoe kan een kunstenaar honderdvijftig parlementariers bevredigen? “Dat is onmogelijk. Ik heb ze een voorstel gedaan. Dat is nu geweigerd. Punt, basta.” nnis Kounellis staart aan de ontbijttafel van het voormalige partijhotel Oktober mijmerend voor zich uit. Het is vroeg in de morgen en hij is, zoals zoveel kunstenaars, wellicht hoe dan ook geen theoreticus in het gesproken woord.

Kounellis heeft vannacht niet wakker gelegen van de beslissing van de meerderheid van de Tweede Kamer om een politiek oordeel over zijn werk te vellen. Hij heeft iets willen maken, de Nederlanse volksvertegenwoordiging heeft dat voorstel geweigerd. Kounellis glimlacht er slechts beminnelijk om. Boos, treurig? Wat moet je nou over zo'n beslissing zeggen. Dat is de houding die hij, onuitgesproken, uitstraalt en die wordt geaccentueerd door zijn verschijning. De kans dat zijn werk zou worden afgewezen, zat er bovendien vanaf het begin een beetje in. “De sculptuur die ik wilde maken, had de radicaliteit van mijn werk. Want ik wilde daar voor het parlemet, op een publieke plaats, iets maken dat duidelijk niet decoratief was. Een obelisk is mooi, maar dat kon daar niet.” Een provocatie was zijn ontwerp echter beslist niet. Kounellis: “Ik heb niemand willen treffen. Maar het is nu eenmaal een van de risico's van de kunst dat je, als je iets doet dat niet is aangepast, discussie en polemiek uitlokt. Ik heb daarom met enkele parlementariers gesproken over mijn werk. Ik kijk daar met tevredenheid op terug. Ze waren niet hypocrie. Het idee om te willen discussieren is ten diepste democratisch, dat heeft hoog niveau. Dat feit moet je dus willen respecteren. Maar de uiteindelijke discussie in het Nederlandse parlement heeft argumenten en problemen naar voren gebracht die ik niet kan beoordelen.” Voor hem is het drama, dat de Tweede Kamer zich op de hals heeft gehaald, nu dus voorbij. Kounellis bereidt thans in het grote expositiegebouw voor de eigentijdse kunst in Moskou, een filiaal van het Tretjakov-museum, een tentoonstelling voor die eind van deze maand opengaat. De afwijzing van zijn werk door de Kamer is een kwestie geworden van de Nederlanders. “Ons probleem”, aldus directeur Rudi Fuchs van het Haagse gemeentemuseum. Fuchs is dezer dagen met Kounellis ook in Moskou. Het nieuwe gebouw van de Tweede Kamer moet volgens Fuchs nu door de hele Nederlandse kunstwereld “besmet” worden verklaard.

Pag. 6: 'Kounellis maakt passie los' Op de plek waar het werk van Kounellis zou hebben moeten staan, mag nu niets meer komen. Dat is de enige passende reacte op het “tragische en absurde” besluit, vindt Fuchs. Als de kunstenaars deze “penibele” beslissing wel zouden accepteren en dus mee zouden werken aan een eventueel ander kunstwerk voor het nieuwe gebouw zouden ze namelijk een “precedent” scheppen voor al die andere politici in het parlement, de gemeenteraden en elders in den lande om zich voortaan ook een politiek oordeel over een individuele kunstenaar aan te matigen. Fuchs: “Er is gisteren iets gebeurd. Vanaf nu kunnen politicikennelijk een politiek oordeel vellen over kunst”. Volgens de museumdirecteur gaat de beslissing van de meerderheid van de Tweede Kamer veel verder dan het lijkt. “Gisteren hebben 71 mensen aan een ander mens verboden om een persoonlijk standpunt in te nemen. Dat is ongelukkig en uitermate dubbelzinnig”.

Met deze houding heeft de Kamer zich immers fundamenteel afgewend van de opvatting van de liberale staatsman Thorbecke dat de politiek zich niet heeft te bemoeien met de morele of esetische waarde van kunst.

Natuurlijk mocht de Tweede Kamer erover discussieren”, betoogt Fuchs. “De Kamer mag over alles discussieren. Maar dit besluit is oncontroleerbaar. Als de VVD voor de verkiezingen had gezegd dat ze tegen de kunst van Kounellis was, okee. Dan hadden er minder of misschien wel veel meer mensen op de VVD gestemd. Maar dan hadden we het tenminste van tevoren geweten”. Indachtig de Thorbeckiaanse visie debatteert het parlement in Nederland daaroalleen over de rationelere aspecten van de kunst, de begroting of een algemene beleidslijn voor de musea, is zijn redenering. De beslissing van de Tweede Kamer van gisteren is daarentegen een “opinie” over een individueel kunstwerk.

Fuchs: “Het is niet goed dat het leven van een kunstwerk beeindigd wordt met een motie in het parlement.” Volgens Fuchs heeft de Kamer in haar oordeelsvorming procedurele argumenten op een onaanvaardbare wijze vermengd met peoonlijke oordelen. De beoordeling van het project van Kounellis was niet voor niets uitbesteed aan een speciale groep van de commissie die de bouw van de nieuwe Tweede Kamer begeleidt. Twee van drie Kamerleden die daarin zitting hebben (Nuis van D66 en Lankhorst van Groen Links) hadden geen enkel bezwaar tegen het voorstel van Kounellis.

Alleen de CDA'er Van Vlijmen zag volgens Fuchs problemen opdoemen. Dat Kounellis met steenkool wilde gaan werken, zou reminiscenties kunnen oproepen aan de sluiting van deijnen in Limburg. Van Vlijmen suggereerde daarom dat minister D'Ancona van WVC een formele brief aan het presidium van de Kamer zou schrijven om een en ander nader toe te lichten, zodat de besluitvorming kon worden “kortgesloten”. In de daarop volgende brief van D'Ancona, die was opgesteld door directeur Grosveld van het bureau dat grote projecten als van Kounellis uitvoert, kwam de gewraakte passage voor over de democratie als “mensenwerk”. Toenleek dat deze zin discussie opriep, is Kounellis op verzoek van Van Vlijmen zelfs nog op bezoek geweest bij de bouwcommissie van de Kamer. De kunstenaar heeft toen met name met de vertegenwoordigers van GPV en SGP van gedachten gewisseld over de interpretatie van zijn werk en het wezen van het monothesme. “Ik zei toen nog: sinds Galile voor de curie moest verschijnen is dit niet meer gebeurd. Een kunstenaar verdedigt zijn werk immers niet. Dat moeten anderen maar doen.” Fus zelf is bijvoorbeeld van mening dat het van een enge visie getuigt om onze democratie louter en alleen als een klassiek Griekse erfenis te zien dat derhalve alleen een traditioneel decoratief beeld als op Plein 1813 zou rechtvaardigen.

De industriele revolutie en haar sociaal-politieke gevolgen in de negentiende en twintigste eeuw zijn ook deel van de Nederlandse democratie, meent hij. De bezwaren werden er echter niet mee opgelost.

Fuchs: “Kamervoorzitter Deetman opereerde toen behoorlijk slim. Als ik zhoor dat Kounellis niet kan zeggen wat het werk precies betekent, moet de Kamer beslissen op grond van wat Kounellis zegt en niet op basis van wat de minister over zijn werk schrijft. Dat was de teneur. Maar d'Ancona wilde haar brief niet intrekken, daar had ze geen zin in.

Misschien koppig”. Daarna heeft de Kamer volgens Fuchs verzuimd om zich goed te informeren voordat ze een besluit durfde te nemn. ,Er is geen informatie ingewonnen bij anderen dan bij mij. Er is, kortom, geen dossier gevormd.” De paradox is nu dat de Tweede Kamer een precedent geschapen heeft dat de kunst politiek bedreigt, maar dat ze tegelijkertijd wel eens in haar eigen morele mes kan lopen. Daarom is bij Fuchs, na de eerste woede, nu ook een bepaald soort satanisch genoegen komen bovendrijven. “Het dialectisch karakter van de kunst houdt niet op. Kounellis' werk blijft bestaan, ondanks de Kamer.

Kounellis heeft iets bereikt. Er is passie losgekomen, er wordt gepraat.” zekere zin heeft hij de decoratieve kunst, waar de Tweede Kamer zich gezien haar uitspraak van gisteren meer door voelt aangesproken, nu pas echt in het defensief gedrongen. “Als ze langs een gewone decoratieve paal lopen, zullen sommige mensen gaan denken: dit mag dus kennelijk wel, maar waarom dan wel?”.